Dossiers


Geen aparte gedragscode voor internet-journalistiek

door Jan van Groesen
Lees verderverder

Threats to ethical journalism in the New Media age

door Prof. dr. Edward Wasserman
Lees verderverder

De rol van een journalist in de democratie

Door Prof. Mr. Egbert Dommering
Lees verderverder

De ombudsman als passend kwaliteitsinstrument van de media

door Jan van Groesen
Lees verderverder

De nieuwsombudsman, waakhond of schaamlap?

door Huub Evers
Lees verderverder

De journalistiek moet veel verantwoordelijker omgaan met haar machtspositie

door Jan van Groesen
Lees verderverder

DAN DOOFT HET LICHT…….

 

Door Redmar Kooistra

 
 
Jan Peter Balkenende was tevreden, evenals Geert Wilders. Beiden toonden zich ingenomen met de gematigde manier waarop moslims in Nederland reageerden op de antipropagandafilm Fitna. Met de aankondiging van dit tegen de islam gerichte pamflet had de parlementariër van de Partij voor de Vrijheid kans gezien politiek en samenleving maandenlang schrik aan te jagen, maar nadat het simplistische werkje vorige week eindelijk op internet te zien was bleef het overal erg rustig.
Dat kan voor Wilders helemaal geen reden zijn voor tevredenheid. Zijn doel was immers aan te tonen dat moslims die zich door Islam en Koran laten inspireren, door belediging van hun godsdienst en hun heilige boek onmiddellijk overgaan tot uitingen van grof geweld. Zelf zou Wilders de dans door zijn 24-uurs beveiliging ontspringen, maar anderen zouden de golf van islamitische terreur onvermijdelijk ondergaan. En hij zou daarvoor dan geen enkele verantwoordelijkheid dragen.
 
Nee, het liep heel anders dan Wilders had vermoed en gehoopt. Met het resultaat van zijn poging de verhoudingen andermaal op scherp te zetten, bereikte Wilders precies het tegendeel van wat hij beoogde. Alle moslims die in de gelegenheid werden gesteld op Wilders’ filmpje te reageren, verklaarden op ingetogen wijze dat ze dit wel ongeveer hadden verwacht en dat ze van de kwetsende beelden niet opgewonden raakten. Geen enkele heethoofdige baardman die opriep tot gewelddadig protest of hoofdafhakkerij. Enkele ambassadeurs in het buitenland werden ontboden om de situatie in Nederland uit te leggen, maar daar bleef het bij.
De moslims in Nederland zijn langzamerhand wel gewend geraakt aan het soort beledigingen dat mensen als Wilders over hen uitstorten. Anders dan veel van hun geestverwanten in verre oorden als Egypte, Pakistan, Afghanistan en Indonesië beseffen zij wel degelijk wat vrijheid van meningsuiting in een rechtsstaat als Nederland betekent. En dat de regering van zo’n land niet de bevoegdheid heeft mensen op voorhand het zwijgen op te leggen als hun mening ze niet aanstaat. Wie zich beledigt voelt kan aangifte doen en de rechter vragen een oordeel uit te spreken. Dat gebeurt dan ook op grote schaal.
 
Premier Balkenende en een aantal van de ministers in zijn kabinet hebben evenmin aanleiding tot tevredenheid. De paniek die zich van hen meester maakte tijdens de weken voor de vertoning van het filmpje, waarbij allerlei zeer uiteenlopende belangen werden opgevoerd, verried een kwalijk gebrek aan vasthoudendheid om de fundamenten van de rechtsstaat te verdedigen. Met zijn ‘crisisgeluid’ creëerde Balkenende een valse en gevaarlijke tegenstelling tussen het ‘landsbelang’ en het belang van vrije meningsuiting, in dit geval van het Tweede Kamerlid Wilders.
In het landsbelang zijn de grondrechten van alle Nederlanders geformuleerd in de Grondwet. Behoudens ‘ieders verantwoordelijkheid voor de wet’ behoort ook de vrije meningsuiting tot die grondrechten, evenals de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van onderwijs. Die grondrechten kennen geen hiërarchie; ze kunnen geen aanspraak maken op een rangorde om in bepaalde omstandigheden naar willekeur te kunnen worden toegepast. Samen vormen ze het bastion van de rechtsstaat, waarin elke burger zijn democratische rechten kan opeisen.
Terecht bereidde het kabinet zich voor op de eventuele gevolgen die vertoning van Fitna zou kunnen hebben, in binnen- en buitenland, om vervolgens maatregelen te kunnen nemen om de openbare orde te handhaven. Dat is zijn taak. Maar daartoe had het kabinet zich moeten beperken. Oproepen aan Wilders, zoals minister Verhagen (Buitenlandse Zaken) en CDA-fractievoorzitter Van Geel deden, om van zijn recht op vertoning af te zien, maken op zorgwekkende wijze duidelijk dat zij onvoldoende oog hebben voor de betekenis van de grondrechten in onze rechtsstaat.
Minister van Staat Van den Broek ging zelfs nog een stap verder. Met een beroep op ‘de’ Nederlandse belangen pleitte hij op de valreep voor een verbod op uitzending van de film van Wilders. In de jaren tachtig van de vorige eeuw kreeg hij als minister van Buitenlandse Zaken zijn zin toen hij tijdens een rechtstreekse televisie-uitzending verzocht geen filmpje uit te zenden waarin de toenmalige geestelijk leider van Iran wegens zijn verjaardag damesondergoed kreeg toegeworpen. In Duitsland was die lolbroekerij wel uitgezonden en dat leidde toen tot kortstondige opwinding.
 
Zelfcensuur kan nooit het antwoord zijn op al dan niet religieus getinte onverdraagzaamheid. Daarvoor wijken of zwichten leidt tot barbarij. Dan dooft het licht, zoals Van Randwijk ons al lang geleden voorhield. Met die woorden in het achterhoofd hadden Balkenende c.s. zich schrap moeten zetten in plaats van zich te wagen aan een premature bezwering van een vermeende crisis. Zij hadden ook vertrouwen kunnen uitspreken in het vermogen van ‘onze moslims’ om onze rechtsstaat te eerbiedigen en tegen eventuele aanvallen van buitenaf te verdedigen.
Misschien is het niet verwonderlijk dat het vooral politici van christen-democratischen huize zijn die verstrikt raken in het ontoegankelijke bos van religie en religiekritiek. Mogelijk kunnen zij zich beter dan anderen verplaatsen in de kwetsbaarheid van gelovigen zodra hun godsdienstige gevoeligheden in het geding worden gebracht. Maar juist zij zouden moeten beseffen en uitdragen dat de grondrechten in de rechtsstaat ook die belangen waarborgt. De moslims in Nederland, die ervaren dat hun niets in de weg wordt gelegd in de uitoefening van hun heilig geloof, lijken dat anno 2008 beter te begrijpen dan politici die hun angsten de vrije loop laten.
 
In de maanden die aan de vertoning van Fitna vooraf gingen, is er zonder enige kennis van de inhoud oeverloos over Wilders’ doen en laten gesproken en geschreven. Nu het incasseringsvermogen van moslims groot genoeg is gebleken om diens welbewuste provocatie te weerstaan, moet het debat de komende tijd over iets anders gaan: hoe weerbaar zijn onze politici eigenlijk. In welke mate zijn zij bereid het op te nemen voor wat ons het meest dierbaar is? Als we soldaten naar Uruzgan sturen om de Afghaanse bevolking te vrijwaren van de brute praktijken van de Taliban, dan zullen we toch ook pal moeten staan voor de rechten die een leven in vrijheid in Nederland mogelijk maken.
De tevredenheid van Wilders en Balkenende is in elk geval erg ongeloofwaardig.