
De Fortuynrevolte van 2001/2002 bracht de journalistiek in Nederland tot een vorm van zelfonderzoek. Daarop volgde in zeker opzicht een afrekening met de ‘oude’ journalistiek. Net als de politiek kwamen tal van media tot de slotsom dat ze onvoldoende hadden geluisterd naar de mensen in de straat, die zich vervolgens luidkeels beklaagden dat ze nooit hadden mogen zeggen wat ze eigenlijk vonden. Sindsdien is er veel gebeurd, maar de journalistiek is grotendeels in de kramp van zes jaar geleden blijven steken. Bij de officiële presentatie van Rita Verdonk’s Trots op Nederland, in de Amsterdamse Passenger Terminal, waren meer dan tweehonderd journalisten aanwezig die klakkeloos het door mediastrateeg Kay van der Linden opgestelde draaiboek volgden. Ondanks de krukken die de gekwetste politica op de been hielden, kon haar ‘nieuwe beweging’ de media tenminste een etmaal lang naar haar hand zetten. En allemaal namen ze de kleine brokjes die ze kregen toegeworpen met gretigheid en in dankbaarheid aan: interviews van twee minuten. Het is opvallend hoe eenvoudig de journalistiek zich deze vorm van mediamanipulatie laat aanleunen. Mevrouw Verdonk, die voor haar Trots op Nederland geld inzamelt van anonieme geldverstrekkers, wijst voor haar politieke vehikel de oude verenigingsvorm van de hand, net als Geert Wilders met zijn Partij voor de Vrijheid. Rita Verdonk staat aan het roer, zij beslist. Toch beweert ze zonder schaamte dat ‘de mensen het voor het zeggen krijgen’ als ze op haar stemmen. Gevreesd moet worden dat het tegendeel het geval is, maar de journalistiek verzuimt dat feit aan haar voor te leggen.
Pure registratie van nieuwsfeiten, waarbij aan kijkers, luisteraars en lezers wordt overgelaten daarover te oordelen, wordt beschouwd als een achterhaalde, verouderde vorm van journalistiek. Wat daarvoor in de plaats is gekomen is een zucht naar sensatie; journalisten lopen hollend achter een speciaal voor hen gecreëerde werkelijkheid aan die met nieuwsfeiten weinig te maken heeft. Verdonk presenteerde niet meer dan een lijstje met plannetjes die elk op zich tamelijk ongeloofwaardig zijn en zich vooral kenmerken door uitgesproken populistische elementen. Het zelfonderzoek waaraan de media zich in 2002 onderwierpen, heeft geresulteerd in een vorm van capitulatie aan veranderde verhoudingen. Het kabinet-Balkenende dat in dat jaar tot stand kwam, en dat van incident naar incident strompelde, kreeg op het vlak van sensatie heel veel aandacht. Veel minder kritisch reageerden veel media op besluiten van dat kabinet, bijvoorbeeld toen het ging om de ‘politieke steun’ die het verleende aan de beslissing van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk om Irak binnen te vallen. In Amerika hebben grote en gerenommeerde nieuwsorganisaties als The New York Times zich verontschuldigd voor de onvoldoende kritische houding die zij ten tijde van de aanval op Irak aan de dag hebben gelegd. Het zelfonderzoek dat zij op eigen gezag ondernamen, leidde tot concrete uitkomsten. Dat is in Nederland (nog) niet gebeurd. Hoewel iedereen kan zien dat die oorlog op een drama is uitgelopen, is geen krant sindsdien bereid geweest de hand in eigen boezem te steken, ofschoon een onderzoek in de eigen archieven alleszins gerechtvaardigd zou zijn.
Onder verwijzing naar de drogreden die het kabinet destijds deed besluiten de oorlog ‘politiek’ te steunen (omdat Saddam Hoessein zich niet aan VN-resoluties hield), weigeren premier Balkenende en minister Verhagen (Buitenlandse Zaken, destijds fractievoorzitter van het CDA) nog altijd een onderzoek naar de besluitvorming in 2002. Zelfs de PvdA heeft zich aan hun taboe gebonden. NRC Handelsblad is een van de weinige bladen die vindt dat zo’n onderzoek er alsnog moet komen. ‘Het verbod dat de coalitie heeft uitgevaardigd (…) is niet alleen vanuit democratisch oogpunt potsierlijk, maar ook politiek onhoudbaar’, zegt de krant in een hoofdredactioneel commentaar (20.03.08).
In het Kamerdebat naar aanleiding van de film Fitna van PVV-leider Wilders, beschuldigden hij en het kabinet elkaar van leugenachtigheid. Afgezien van de toon in dit debat, dat in dat opzicht zonder twijfel een naoorlogs dieptepunt was, levert de onbevredigende afloop een staatsrechtelijk monstrum op. Blijkbaar accepteren Kamer en kabinet dat de beschuldiging van leugenachtigheid boven de markt blijft hangen, waarmee de vertrouwensregel dat het kabinet wordt geacht te goeder trouw te handelen op de rommelzolder van achterhaalde parlementaire omgangsvormen is beland. Zo verliest de politiek door eigen toedoen en in rap tempo aanzien en geloofwaardigheid. De ambitie van de media zou moeten zijn de rol van waakhond te spelen als de politiek zich verlaagt tot ordinaire scheldpartijen en goedkope vormen van zieltjes winnen. Van die 200 journalisten die onlangs naar Amsterdam trokken om amechtig achter de luidruchtige karavaan van Rita Verdonk aan te lopen, hadden velen van hen er goed aan gedaan uit te zoeken wat er achter de quasi-werkelijkheid in Den Haag steekt. Als politici in staat worden gesteld de media in vergaande mate te bespelen, moeten die media zich afvragen of zij hun rol nog wel adequaat vervullen.