Dossiers


Het morele failliet van Rutteā€™s buitenlands beleid

door Jan van Groesen
Lees verderverder

Het mediabestel moet op de schop Pleidooi voor een platformwet

door Egbert Dommering
Lees verderverder

Jarenlang gesol met dagbladen bedreigt de democratie

door Jan van Groesen
Lees verderverder

Is Leveson de rubicon overgestoken naar overheidsinterventie?

Door prof. Chris Frost
Lees verderverder

De kwalen van de journalistiek komen niet exclusief in Engeland voor

door Stichting MON
Lees verderverder

Nederlandse burger wil professionele journalistiek

door Jan van Groesen
Lees verderverder

De rol van een "journalist" in de democratie

Bookmark and Share

 

Door Prof. Mr. Egbert Dommering

 
In het navolgende wil ik stil staan bij de vraag wat onze Europese en nationale rechters in het internettijdperk als een journalist beschouwen, wat de rol van beroepsregels daarbij is, en waarom de journalist bepaalde voorrechten heeft. Ik probeer dan tot een nadere plaatsbepaling op internet te komen. Tenslotte waag ik mij aan een kleine toekomstbespiegeling .
 
DE JURIDISCHE BENADERING
EHRM
Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zoekt daarvoor aanknopingspunten bij ‘de Pers’ en bij het beroep van ‘journalist’. In de terminologie van het Hof verdient de pers bescherming als ‘een waakhond’ in de democratie en krijgt de journalist bijzondere bescherming wanneer hij volgens zijn beroepsregels te goeder trouw handelt in het belang van informatievoorziening en het openbare debat in de democratie. Het is dus een duidelijk institutionele theorie. Het brongeheim, het mogen publiceren van geheim materiaal en de extra bescherming tegen opsporing en strafvervolging, zijn daarvan afgeleid. Dit doet de vraag rijzen hoe het met deze rechten is gesteld, nu de pers en de inrichting van het openbare debat steeds verder de-institutionaliseren. Wat blijft er van deze rechten over in de ‘blogsfeer’?
In overweging 104 in de Stollzaak zegt het Hof hoe het aankijkt tegen de functie van de journalist in het internettijdperk:
 
‘In a world in which the individual is confronted with vast quantities of information circulated via traditional and electronic media and involving an ever-growing number of players, monitoring compliance with journalistic ethics takes an added importance.’.
 
 
Klaarblijkelijk vindt het Hof het naleven van beroepsregels van de journalist juist belangrijker geworden. Maar het zegt nog niet wat iemand tot ‘journalist’ bestempelt en de bijzondere bescherming die artikel 10 biedt is kennelijk niet tot journalisten beperkt. In een recente beslissing over de openbaarheid van overheidsdocumenten in Hongarije[2] gaf het twee met elkaar verweven beslissingen die verder de contouren markeren: wie verdienen er een bescherming gelijkwaardig aan die van de Pers en welke activiteiten van de Pers vallen onder de bescherming van artikel 10? Ik begin met het laatste.
Het Hof onderzoekt of er een inmenging is in de vrijheid van meningsuiting (overwegingen 26-29) en vindt het in dat kader nodig zijn rechtspraak te recapituleren waarin aan de Pers als ‘watchdog’ in de democratie een geprivilegieerde bescherming onder artikel 10 wordt toegekend. De Pers is degene die informatie van publiek belang naar het publiek moet overbrengen (‘to impart’), dat het recht heeft geïnformeerd te worden (‘to receive’). Die geprivilegieerde bescherming komt onder meer tot uitdrukking in bronbescherming en het publiceren van informatie die onder een geheimhoudingsplicht valt als de openbaarmaking van de informatie zwaarder weegt dan geheimhouding. Het verwerven van informatie, zo stelt het Hof, is een belangrijk middel om aan die taak te voldoen (onder verwijzing naar de zaak Dammann, EHRM 25 april 2006, NJ 2007, 216, m.nt. EJD, par. 52 waar het overweegt dat ‘la phase préalable à la publication’ essentieel is, en een nauwkeurig onder zoek van het Hof verlangt of in die fase wel voldoende bescherming wordt geboden). Het Hof brengt daarmee het element ‘to seek information’ (in Nederland wel het ‘recht op nieuwsgaring’ genoemd), dat niet in artikel 10 EVRM staat, maar wel in artikel 19 van het VN Verdrag voor de bescherming van burgerlijke en politieke rechten, onder de bescherming van het EVRM, althans voor zover het de Pers betreft (Dit is een duidelijke stap voorwaarts, ook voor Nederland, waar een bestaan van dit recht omstreden was. Ik verwijs naar de beschouwingen in hoofdstuk 2 van G.A.I. Schuijt, Vrijheid van Nieuwsgaring, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2006).
De tweede beslissing die het Hof in dit kader geeft is het op één lijn stellen van de rol van belangenorganisaties met die van de Pers. De rol van de Pers, aldus het Hof omvat mede ‘the creation of forums of public debate’. Organisaties die dat ook doen, zoals in dit geval de Hongaarse burgerrechtorganisatie, eiser in deze procedure, kunnen volgens het Hof op eenzelfde bescherming rekenen, omdat zij ook een forum voor een publiek debat maken; zij zijn een ‘social watchdog’. Iets dergelijks had het Hof ook al eerder gezegd, maar minder pregnant en niet in deze formulering (zie onder meer de zaak Steel & Morris, EHRM 15 februari 2005, NJ 2006, 39, m.nt. EJD).
 
Hof van Justitie
Ook het Hof van Justitie in Luxemburg heeft zich over de kwestie moeten uitlaten in het kader van de uitleg van de privacyrichtlijn, die in artikel 9 (artikel 3 Wbp) een exceptie kent voor ‘journalistieke bewerkingen.’[3]In het Satamedia arrest heet het dat het begrip ‘journalistiek’ in het belang van de vrijheid van meningsuiting ruim moet worden uitgelegd. In het internettijdperk is het ook niet meer te koppelen aan het werkzaam zijn voor een mediabedrijf en ook niet meer gebonden aan een medium. ‘Journalistieke verwerking’ is aanwezig ‘als de verwerking als enig doel heeft de bekendmaking aan het publiek van informatie, meningen of ideeën.’[4] Deze definitie (of eigenlijk de afwezigheid van een definitie) van ‘journalist’ gaat veel verder dan die het CBP in de ‘richtsnoeren voor de publicatie van persoonsgegevens op het internet’[5] Deze noemen vier criteria: 1. het moet gaan om een activiteit gericht op (objectieve) informatieverzameling en – verstrekking, 2. Dit moet een regelmatige bezigheid zijn, 3. Het moet iets van maatschappelijke strekking aan de orde stellen, 4. Er moet aan het publiek een recht van repliek of rectificatie worden aangeboden om fouten in de bewerking te herstellen. En met die laatste eis komen ineens de professionele regels weer om de hoek kijken.
 
Hoge Raad
Ook onze nationale rechter heeft met het probleem geworsteld.
De Hoge Raad heeft in de Lycoszaak[6] die over internet ging geoordeeld dat niet iedereen die functioneel bij de ontsluiting van informatie op internet is betrokken op een lijn kan worden gesteld met de pers. In die zaak wees hij in overweging 5.3.7. een beroep van de Internetservice provider op geheimhouding van de identiteit van zijn abonnee (een verkapt beroep op bronbescherming dus) af met de volgende overweging:
 
‘Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat, hoezeer een hosting provider een faciliterende rol vervult bij de verspreiding van informatie op internet, zijn rol niet kan worden gelijkgesteld aan, en evenmin vergelijkbaar is met die welke de pers in een democratische samenleving vervult, zodat een hosting provider niet een verschoningsrecht toekomt als dat waarop een journalist met het oog op de bescherming van zijn bronnen aanspraak kan maken, reeds omdat via een website verspreide informatie niet kan gelden als informatie die door de websitehouder aan de hosting provider is toevertrouwd.’.
 
Dit sluit de Service Provider uit, maar laat ook de term ‘journalist’ ongedefinieerd. Maar in de zaak Van Gasteren/Hemelrijk schoot de Hoge Raad[7] helemaal naar de andere kant door elke publicatie op het internet met een perspublicatie gelijk te stellen:
 
‘Aangezien tussen partijen vaststaat, en bovendien uit het slot van de open brief onmiskenbaar blijkt, dat deze door Hemelrijk als privépersoon is geschreven en gepubliceerd, heeft het hof met zijn door de onderdelen bestreden oordeel kennelijk bedoeld dat de open brief voor de in deze zaak te verrichten toetsing op één lijn moet worden gesteld met een perspublicatie. Bij de beoordeling van de onderdelen is van belang dat uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat de persvrijheid in het kader van de ingevolge art. 10 EVRM te verrichten afweging een bijzondere plaats inneemt met als reden dat de pers zijn "vital role" van "public watchdog" moet kunnen spelen. Inmiddels kan echter (mede) door de opkomst van het internet niet nauwkeurig meer worden omschreven wat in de hier bedoelde zin is te verstaan onder "de pers" omdat daardoor ook voor particulieren de mogelijkheid is ontstaan zich buiten de tot dan toe bestaande media tot een breed publiek te richten. Het hof heeft, tegen de geschetste achtergrond, blijkbaar bedoeld bij deze ontwikkeling aansluiting te zoeken. Het heeft dit gedaan door, bij de te dezen te verrichten afweging (zie hiervoor in 3.4.1), bijzondere betekenis toe te kennen aan het feit dat Hemelrijk zich met de open brief - een publicatie op het internet op de persoonlijke website van Hemelrijk - tot een breed publiek heeft gericht teneinde vraagtekens te plaatsen bij het door G. in "Het Uur van de Wolf" publiekelijk geschetste beeld van zijn motief om Oettinger te doden en van zijn invrijheidstelling in 1946. Daarmee heeft zij volgens het kennelijke oordeel van het hof mede in het algemeen belang gehandeld, zodat het gerechtvaardigd is de open brief op één lijn te stellen met een perspublicatie. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk gemotiveerd.’.
 
Belgische Hof
Het Belgische Constitutionele Hof (Hof van Arbitrage) heeft op 7 juni 2006 een interessante uitspraak gedaan.[8] Dit Hof (dat oordeelde op basis van de Belgische wet die het bronbeschermingsrecht regelt) kende recht op bronbescherming toe aan ‘een ieder die journalistieke activiteiten uitoefent’, welke activiteit de wet omschrijft als ‘zelfstandige of als loontrekkende als ook iedere rechtspersoon die regelmatig en rechtstreekse bijdragen leveren tot het verzamelen, redigeren, produceren of verspreiden van informatie via een medium.’ Het verklaarde het deel van de wet dat dit recht slechts toekende aan degene die zelfstandig of als loontrekkende alsook iedere rechtspersoon die regelmatig’ dergelijke activiteiten uitoefenen in strijd met de Grondwet. Deze definitie is wel heel ruim, omdat daarin het element ‘regelmatigheid’ (wat gelezen kan worden als de eis van ‘professionaliteit’) niet meer voorkomt.
 
Raad van Europa
De Recommendation R. (2000) 7 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa doet dat wel in de omschrijving van het begrip ‘journalist’ als ‘any natural or legal person who is regularly or professionally engaged in the collection and dissemination of information to the public via any means of mass communication’. Maar deze definitie beperkt het begrip weer tot de (traditionele) media van massacommunicatie. De Raad van de Journalistiek in Nederland stelt de eis van ‘beroepsmatig tegen betaling’ meewerken aan de Media.[9]
 
 
Evaluatie
Rechters (en de Raad van Europa) hechten aan het element regelmatigheid, tegen betaling en professionaliteit om het begrip ‘journalist’ af te bakenen. Alleen de HR stelt in de Hemelrijkbeslissing iedereen die op internet publiceert gelijk met een journalist. Alleen het EHRM houdt uitdrukkelijk vast aan het naleven van beroepsregels en vindt dat in het internettijdperk zelfs belangrijker. Het EHRM redeneert sterk vanuit de institutionele theorie. De journalist en de onafhankelijke Pers (en daarmee op een lijn te stellen discussieplatforms) zijn ‘waakhonden’ van de democratie. Als zodanig verleent het een sterke bescherming aan de uitoefening van de journalist bij de nieuwsgaring en de uitoefening van zijn beroep. Aldus ontwikkelde het een bronbeschermingsrecht, beperkt het de mogelijkheid tot in beslagneming van informatiedragers en veroordeelt het feitelijke belemmeringen in de beroepsuitoefening. En dan gaat het niet alleen om Rusland en Turkije, maar ook om Nederland.
 
INTERNET
Nu zou je de institutionele theorie kunnen verlaten met de stelling dat in het internettijdperk ‘een ieder’ journalist is en dat de hiervoor genoemde regels niets anders zijn dan regels van maatschappelijk vertrouwen en zorgvuldigheid die gelden voor iedere vorm van verzamelen en openbaar maken van informatie.[10] Het bezwaar daarvan is dat deze regels onvoldoende zijn om de waarheidsvinding in een gerechtelijke procedure te doorbreken en ook onvoldoende zijn om een bijzondere positie te claimen ten aanzien van het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden. Ik deel, zoals gezegd,  de benadering van de Hoge Raad in het Van Gasteren/Hemelrijk arrest dan ook niet, omdat de Hoge Raad daarin mijns inziens het als particulier openbaar maken van informatie in het algemeen belang verwart met het beroepsmatig handelen van een journalist.
 
Laten we nog een nadere begripsbepaling proberen.
Een weblog is een website die regelmatig - soms meerdere keren per dag - vernieuwd wordt en waarop de geboden informatie in chronologische volgorde (op datum) wordt weergegeven. Wie een weblog bezoekt, treft dan ook op de voorpagina de recentste bijdrage(n) aan. De ‘blogger’, biedt in feite een logboek van informatie die hij wil delen met zijn publiek, de bezoekers van zijn weblog. Volgens de beperking die besloten ligt in het beroepsmatig handelen tegen betaling, vallen een groot aantal van de bloggers af, omdat zij ofwel geen publiek opbouwen dat voor adverteerders voldoende interessant is om op de website van de blogger reclame te maken ofwel geen betaling vragen voor een abonnement op hun site.[11] De grens zal overigens niet altijd makkelijk zijn te trekken, omdat vele professionele bloggers hun geld verdienen als ‘journalist’ in de traditionele media en hun blog als extensie van hun beroepsmatig handelen kan worden beschouwd.
Het internet heeft tal van nieuwe nieuwsmedia gebracht, die ongetwijfeld voldoen aan de functie die het EHRM aanduidt als het ‘creëren van een forum voor publiek debat’. Er zijn websites die door de besproken webloggers gemaakt worden, maar even talrijk zijn sites die als een nieuwe vorm van journalistiek door het publiek worden gevuld met ‘nieuwsberichten’ die nauwelijks aan redactionele controle zijn onderworpen (bijvoorbeeld het weblog GeenStijl). Ook traditionele media bewegen zich steeds meer in deze richting door bijvoorbeeld onder auspiciën van de krant weblogs te organiseren. Eenzelfde ontwikkeling doet zich voor in de persfotografie. Een website als Nu.nl publiceert nieuwsfoto’s van amateurs uit het publiek, die in toenemende mate hun weg naar de officiële media vinden. De auteurs van blogs, de deelnemers aan nieuwsgroepen, de samenstellers van websites lijken allen journalisten/publicisten, omdat zij informatie/publicaties breed (en vaak zonder redactionele toetsing vooraf) verspreiden. Bovendien gaat het publiek ze in toenemende mate als primaire nieuwsbron, of soms zelfs, als enige nieuwsbron hanteren. Kan men deze sites op één lijn stellen met de traditionele nieuwsmedia? Philip Meyer onderzoekt in zijn boek The Vanishing Newspaper wat de kenmerken zijn van die ‘oude’ media. Uit een al oude enquête onder Amerikaanse editors kwamen een aantal criteria naar voren.[12] Parafraserend zijn dat: accuraatheid in de feiten, onpartijdigheid, deskundige redactie en onderhouden van een gespecialiseerde staf, leesbaarheid, opbouw van een eigen publiek en ‘branding’. Volgens die criteria voldoen de meeste van deze nieuwssites waarschijnlijk alleen aan de laatste drie criteria, al is er een onderscheid te maken in de deskundigheid van de redactie. Dit is mijns inziens niet alleen een deskundigheidscriterium, maar ook een beroep-ethisch criterium.
 
Afgezien van criteria als ‘beroepsmatig’, ‘professionaliteit en deskundigheid’, kom je dus toch weer uit op beroepsethische regels. De handhaving daarvan wordt belangrijker naar mate een ‘journalist’ individueler handelt. Een advocaat die deel uitmaakt van een groot advocatenkantoor ondervindt vanuit de organisatie beroepsethische controle, een advocaat op een éénmanskantoor niet.  Juist die moet het hebben van de controle vanuit een beroepsorganisatie. Die regel geldt ook voor de Pers. Mediabedrijven handhaven over het algemeen hun eigen beroepscode met behulp van zelf aangestelde controlerende instanties, die ze ‘ombudsman’, ‘lezersraad’ of iets anders noemen. [13] Die ‘interne’ instanties hebben ook een veel ruimer bereik dan het toepassen van de typische beroepskwaliteitsregels, omdat ze ook over het redactioneel beleid van het mediabedrijf gaan (bijvoorbeeld het plaatsen van schokkende foto’s of het al of niet schenken van aandacht aan bepaalde onderwerpen). Individuele journalisten vallen buiten dit ‘vangnet’. 
Je zou de institutionele theorie overeind kunnen houden als het beroep van ‘journalist’ zou kunnen uitgroeien tot een beschermd beroep met door een beroepsvereniging gecontroleerde en tuchtrechtelijk gesanctioneerde beroepsregels, zoals bij artsen en advocaten. Dat is de NVJ stellig niet en het stuit ook op groot verzet bij journalisten die iedere vorm van beroepscontrole onconstitutioneel achten, of, om het iets prozaïscher in de woorden van de journalist H.J. Schoo te zeggen: geen afdwingbare beroepsregels aanvaarden omdat ze ‘een ongeregeld zootje’ zijn.[14]
Maar daar ben je er niet mee. Daarom tot slot een toekomstbespiegeling.
 
TOEKOMSTBESPIEGELING
 
De media en persbureaus hebben hun plaats veroverd in de twintigste eeuw, rond het papieren distributiesysteem van de krant of het gecentraliseerde radio- en televisie zendersysteem van de omroep. Deze distributiesystemen zullen niet geheel verdwijnen, maar een minder dominante functie krijgen. Daarvoor komt gedeeltelijk het geindividualiseerde niet aan een centrum gebonden distributiesysteem van het internet in de plaats.[15] Daar horen ander informatieplatforms bij met grotere publieksparticipatie met een publiek met andere wensen.
 
 Walter Lippmann maakte zich in de jaren veertig in zijn beroemde Public Opinion [16]zorgen over de ‘dwalende’ publieke opinie. Goed uitgeruste redacties van kranten zouden daar iets aan kunnen doen.[17] Het werden organisaties met redacties en onderzoeksstaven die het tot hun verantwoordelijkheid rekenen om een juist beeld van de werkelijkheid te geven en mede daardoor de politieke machten die over ons beslissen te controleren. De Pers moet de feiten presenteren, opdat de burger in een steeds gecompliceerdere werkelijkheid de juiste beslissingen kan nemen.
 
Lippmann concludeert dat het onmogelijk is om een ‘waar’ beeld van de werkelijkheid te schetsen, dat de massamedia onbetrouwbaar zijn omdat zij politiek bevooroordeeld zijn en dat het innerlijke beeld dat de gemiddelde burger van de werkelijkheid heeft een dwalende ‘public opinion’ zal blijven. Hij stelt daarbij het politieke beeld van de massamedia tegenover het waarheidsbeeld van de wetenschap. Het is het ‘fundamentele dilemma in het leven tussen dat van accurate politieke representatie en accurate representatie in epistemologische  zin,’ concluderen Marres & De Vries in hun fraaie WRR studie.[18] De hier al besproken en door het EHRM omhelsde theorie over de institutionele rol van de Pers tracht  dit dilemma te verzoenen door bijzondere verplichtingen van waarheidsvinding van de Pers in de democratie aan te nemen, maar om ze dan ook bijzondere bescherming te verlenen.[19] Wij erkennen bovendien de politieke bevooroordeeldheid van de pers door van de opiniepers te spreken en als ideaalbeeld voor de markt van persondernemingen concurrentie na te streven tussen verschillende titels die verschillende opinies uitdragen. Zo kan de ‘publieke opinie’ uit het voorgeschotelde mozaïek van subjectieve interpretaties een objectief beeld componeren.[20] We zijn ze daarom toch trusted media gaan noemen, media die we moeten vertrouwen omdat we zelf niet in staat zijn de informatie te verzamelen. ‘Vertrouwen’ is immers een sleutelbegrip voor een samenleving waarvan we de toegenomen risico’s alleen kunnen dragen omdat we ons in handen moeten stellen van anderen die expertise bezitten: de vliegtuigmaatschappij en de piloot, de arts, de voedingsfabrikant.[21] 
 
Het internet stelt het dilemma democratische kennis of peer review kennis opnieuw aan de orde. Sommigen zien het als de democratie van de kennis en de directe toegankelijkheid. Exponent van een kritischer opstelling is Cass Sunstein in zijn Republic.com boeken.[22] Sunstein is van mening dat het internet leidt tot versplintering van het openbare debat. Mensen zullen zich opsluiten in ‘informatie cocons’, ‘echokamers’, ‘digitale enclaves’, zodat ze alleen nog maar kennis zullen nemen van informatie waarvan zij willen kennisnemen, informatie waarin zij en soortgenoten zich spiegelen en die hun vooroordelen versterkt. Dit kan zelfs tot polarisatie leiden. In plaats van de objectieve rede bevordert het Internet een oorlog tussen subjectieve meningen.
 
Mijn inschatting is iets gematigder, maar niet zonder meer optimistisch. De oude trusted media zullen blijven voortbestaan, maar met een geheel andere distributie en ‘bundelings’ functie. Zij zullen een makelaar van een platform worden waarop hoog gespecialiseerde expertise die deels zelf, maar steeds meer in gespecialiseerde verbanden wordt onderhouden, wordt samengebracht en georganiseerd tot een publiek debat. Hun oude distributietechnieken zullen hoogstens ondersteunend blijven van nieuwe fijnmazige elektronische distributietechnieken. Daarnaast zullen vele andere platforms en nieuwsmedia ontstaan, zoals alle variaties van weblogs die ik hiervoor heb besproken. De ongefilterde toegang tot internet produceert heel veel meer kaf dan koren.
 
Als we terugkeren naar de kern van de probleemstelling van Lippmann is het probleem van journalisten het winnen van vertrouwen van het publiek dat de chaotische werkelijkheid niet kan overzien: ‘u kunt afgaan op wat ik u vertel of toon,’ zegt de journalist, ‘u moet mij vertrouwen.’ Vertrouwen win je door waarheidsgetrouwheid, kennis en transparantie. En over dat laatste gaat het hier vandaag. Geen enkel expertisesysteem in onze samenleving kan vertrouwen winnen als het zijn kennis niet organiseert volgens regels van professionaliteit en daarover publiekelijk verantwoording aflegt. Ook uit de korte analyse van de Europese rechtspraak blijft dat als kernwaarde van het beroep journalist overeind en dat het die waarde is die verdient als kritisch-democratische functie bijzondere bescherming te krijgen. Journalisten die roepen dat zij niets met beroepsregels en klachteninstanties als ombudsmannen te maken hebben (‘u sleurt mij maar voor de rechter’) zullen het in internet tijdperk afleggen. Als ze tenminste tot het koren willen blijven behoren. Want het kaf zal toenemen: Ongeregeld zootje van beroepsbeoefenaren plus het ongeregelde zootje van het internet is twee keer een ongeregeld zootje.
(17-03-2010)
 
 
Prof. Egbert Dommering
 
 
 
 


[1] Zie hierover het themanummer van Mediaforum 2008-5.
[2] Társarág/Hongarije (EHRM 14 april 2009, appl. 37374/05).
[3] Zie Tjeerd Schiphof ‘De onduidelijke journalistieke exceptie in de Wet bescherming persoonsgegeven’, in: Mediaforum 2008-5, p. 208-211.
[4] HvJ EG 16 december 2008, C-73/07 (Satamedia), Mediaforum  2009-2, nr 5, m.nt. Q. Kroes.
[5] Stcrt 2007, 240, p. 27; www.cbpweb.nl.
[6] HR 25 november 2005, Mediaforum 2006-1, nr.1 m.nt. van E.A. Ekker.
[7] HR 18 januari 2008, NJ 2008, 274, m.nt. EJD.
[8]Hof van Arbitrage 7 juni 2006, Mediaforum  2006-7/8, nr. 26 m.nt. W. Hins.
[9] Zie ook Schuijt a.w., p. 27.
[10] Voor de verschillende rechtstheoretische funderingen van het brongeheim, zie Damian Carney, ‘Theoretical Underpinnings of the Protection of Journalists’ ‘Confidential Sources: Why an Absolute Privilege Cannot be Justified’, Journal of Medialaw 2009-1, p. 97-127.
[11] Henk Blanken & Mark Deuze, Pop Up, De botsing tussen oude en nieuwe media, Antwerpen/Amsterdam: Atlas 2007, p. 122 schatten het aantal blogreporters op 3 % van het totaal aantal bloggers in Nederland ofwel 30.000, een groep die nog altijd twee keer zo groot is als het aantal Nederlandse journalisten.
[12] Philip Meyer, The Vanishing Newspaper, saving journalism in the Information Age, Columbia/London: University of Missoury Press 2004, p. 78 e.v.
[13] Zie Huub Evers, Harmen Groenhart & Jan van Groessen, De Nieuwsombudsman, waakhond of schaamlap, Diemen: Uitgeverij AMB 2009.
[14] H.J. Schoo, Een ongeregeld zootje, Amsterdam: Reed Business 2009. Over deze dilemma’s, zie E.J.Dommering & C van Boxtel (red.), Klachten over mediapublicaties, Een onderzoek naar de mogelijkheden van eenvoudig toegankelijke niet rechterlijke procedures, rapport van de studiecommissie van de Vereniging Media- en Communicatierecht (VMC), Mediaforum  2007-5, p. I-XX.
[15] Voor beknopte en heldere analyses vanuit sociaalwetenschappelijke, economische en juridische hoek, zie Mediaforum 2010-2, p. 43-47.
[16] Walter Lippmann Public Opinion, New York: Pinguin Books (Pelican), 1946.
[17] Het navolgende is ontleend aan mijn rede Gevangen in de waarneming, Amsterdam: Otto Cramwinckel 2008.
[18] Noortje Marres & Gerard de Vries ‘Tussen toegang en kwaliteit, Legitimatie en contestatie van expertise op het Internet’, in: H. Dijstelbloem & C.J.M. Schuyt (red.) De Publieke Dimensie van kennis, Voorstudies en Achtergronden WRR V 110, Den Haag: SDU 2002, p. 192. Malesherbes zag dat dilemma overigens ook. Hij ging er blijkens het hier gegeven citaat immers vanuit dat ‘des gens instruits’ de arena zouden gaan bevolken.
[19] Er bestaan verschillende democratische theorieën over de rol van de Pers, van liberale tot de Amerikaanse die als social responsibility wordt gekenschetst, zie. Fred Siebert, Theodore Peterson & Wilbur Schramm, Four Theories of the Press, Urbana and Chicago: University of Illinois Press 1963.
[20] In Nederland meten we dat tegenwoordig zelfs met de monitorfunctie die het Commissariaat van de Media heeft om de pluriformiteit op de mediamarkt te meten, zie Concentratie en pluriformiteit van de Nederlandse Media 2006, Commissariaat van de Media 2007.
[21] Ulrich Beck Risikogesellschaft. Auf dem Weg in einen andere Moderne, Frankfurt am Main: Edition Suhrkamp 1986.
[22] Cass R. Sunstein, Republic.com, Princeton and Oxford: Princeton University Press 2001, Republic.com 2.0 dezelfde uitgever 2007, Infotopia. How many minds produce knowledge, Oxford: Oxford University Press 2005.