Dossiers


Geen aparte gedragscode voor internet-journalistiek

door Jan van Groesen
Lees verderverder

Threats to ethical journalism in the New Media age

door Prof. dr. Edward Wasserman
Lees verderverder

De rol van een journalist in de democratie

Door Prof. Mr. Egbert Dommering
Lees verderverder

De ombudsman als passend kwaliteitsinstrument van de media

door Jan van Groesen
Lees verderverder

De nieuwsombudsman, waakhond of schaamlap?

door Huub Evers
Lees verderverder

De journalistiek moet veel verantwoordelijker omgaan met haar machtspositie

door Jan van Groesen
Lees verderverder

De berichtgeving in de media naar aanleiding van Anet Bleichs biografie van Den Uyl over prins Bernhard en de Lockheed-affaire, toont andermaal aan dat het geheugen van journalisten soms te wensen overlaat, danwel selectief te noemen valt. En tevens hoe belangrijk het is voor een journalist om altijd, niet in het minst bij controversiёle gebeurtenissen, over betrouwbare bronnen te beschikken.
Geert-Jan Laan plaatst de gang van zaken in die tijd en de rol van de media daarin om die reden in een beschouwend retrospectief.
 

EEN BESCHOUWING OVER DE ROL VAN DE MEDIA IN DE LOCKHEED-AFFAIRE

 

door Geert-Jan Laan

 
Hoewel eind 1975 Het Vrije Volk en begin 1976 de Nieuwe Revu al gepubliceerd hadden dat met een hoge Nederlandse regeringsfunctionaris, die omgekocht zou zijn door de vliegtuigfabriek Lockheed, onze eigen prins Bernhard werd bedoeld, liepen de meeste Nederlandse media – traditiegetrouw- nog met een grote boog om de zaak heen.
Op 6 februari 1976 werd in een openbare hoorzitting van de Amerikaanse senaatscommissie, die in het voetspoor van de Watergate-zaak geheime betalingen van het bedrijfsleven onderzocht, de toenmalige president van Lockheed Carl Kotchian ondervraagd. Tot in alle details bevestigde Kotchian de vermoedens. Alleen de naam van Bernhard werd nog niet genoemd, maar diezelfde avond lieten onderzoekers van de senaatscommissie uitlekken dat hiermee wel degelijk Bernhard werd bedoeld. Premier Den Uyl had tot op dat moment alleen de prins zelf gevraagd of er iets waar was van hetgeen hij heftig had ontkend. Hij had wel de Nederlandse ambassade in Washington gevraagd de hoorzittingen extra te volgen.
Ook dat weekeinde durfden de meeste Nederlandse media de naam van de prins nog niet te noemen. Maar premier Den Uyl greep de telefoon en belde persoonlijk met de voorzitter van de senaatscommissie, Frank Church. Uit zijn mond kreeg Den Uyl de bevestiging. Zondag sprak Den Uyl opnieuw met de prins. Die wees alle beschuldigingen opnieuw met kracht van de hand, maar de premier wist hem ervan te overtuigen dat de beschuldiging te zwaar was om er schouderophalend aan voorbij te gaan. Een onafhankelijke onderzoekscommissie moest de zaak onderzoeken. Hij overtuigde de tegenstribbelende prins er ook van dat het een goede zaak zou zijn wanneer direct in de eerste verklaring zou staan dat deze het onderzoek van harte zou ondersteunen en er zijn volle medewerking aan zou verlenen.
Met die boodschap verscheen Den Uyl diezelfde zondagavond op de televisie. Hij bevestigde dat de prins werd bedoeld in verband met het Lockheed-schandaal, “waarmee niet gezegd is dat de prins zich aan laakbare handelingen heeft schuldig gemaakt. Niemand in ons staatsbestel is schuldig alvorens het wettig en overtuigend bewijs is gevonden”, zo voegde hij daar, bijzonder ernstig kijkend, nog aan toe.
 
De verklaring viel goed. In de Tweede Kamer werd van links tot rechts instemmend gereageerd. Ook de Telegraaf drukte nog een lovend hoofdartikel af
Maar met Den Uyl’s sobere verklaring gingen de remmen van de media in Nederland los. In het brave Nederlandse perswereldje ontplofte een bom; eindelijk zag men zich door de uitspraken van de premier gelegitimeerd anders over de prins te schrijven dan tot op dat moment was gebeurd.. TROS-Aktua-chef Wibo van der Linde mocht dan nog wel plechtig verklaren dat hij “ hangende het onderzoek” niets over de zaak zou brengen, een grote groep vooral jongere journalisten liet blijken zich niet meer – zoals in 1956 met de Greet Hofmans-affaire – de mond te laten snoeren. Dat bleek bijvoorbeeld bij het Algemeen Dagblad. Terwijl in het hoofdredactionele commentaar die maandagochtend het AD nog kruiperig beweerde “dat de prins op zijn woord geloofd diende te worden”, wierp in een belendend vertrek een aantal jonge reporters zich op de zaak waarbij het hoofdredactionele richtsnoer allerminst tot uitgangspunt werd genomen.
 
De commentaren werden ook feller. Henk Hofland schreef in de Haagse Post :”Prins Bernhard mist een bepaald gevoel voor politieke verhoudingen en naar het blijkt is nog geen kabinet erin geslaagd hem tot het inzicht te brengen dat hij met dit kort niet alleen zichzelf benadeelt maar dat hij afbreuk doet aan ons nationaal belang.”
Geert Mak in de Groene:”De Lockheed-affaire dreigde in Nederland al bijna een smeulend doofpotbestaan te gaan leiden, toen plotseling de vlam in de pan sloeg.” ( ) “Lukt de zuivering van de prins van iedere blaam niet, dan liggen het aftreden van koningin Juliana en de benoeming van prinses Beatrix als- voorlopig – regent in de lijn van de verwachtingen.
 
Via Het Vrije Volk kwam ook de Warmelo-affaire aan het licht. Het kasteeltje van de moeder van prins Bernhard was na haar dood verkocht aan een trust in Liechtenstein. In Liechtenstein zelf werd gesuggereerd dat op deze manier steekpenningen – een lage verkoopprijs in Nederland en een hoge (geheime) aankoopprijs in Liechtenstein- konden worden versluierd. De Telegraaf , citerend uit hofkringen, noemde deze publicatie “de lafste aanval op het koninklijk huis sinds de brief van PvdA-fractievoorzitter Nederhorst over het huwelijk van Beatrix en Claus.”
 
 Met name De Telegraaf zat er mee. In paniek werd geconstateerd dat niet alleen in Nederland alle remmen los waren. Ook gezaghebbende buitenlandse bladen brachten uitgebreide “coverstories.” Time, Newsweek, Der Spiegel. De beschuldigingen kwamen niet van verwerpelijke linkse agitatoren, maar uit de mond van een grote Amerikaanse ondernemer en een eerbiedwaardig instituut zoals de Amerikaanse senaat. Op zaterdag 6 maart 1976 publiceerde adjunct-hoofdredacteur Heytink een opmerkelijk artikel waarin hij suggereerde dat er een duistere Russische samenzwering tegen prins Bernhard gaande was. Het doel hiervan was de linkse Beatrix en Claus op de troon te krijgen. Via correspondent Bob Kroon, die ook voor het weekblad Time werkte, kreeg de krant inzicht in de bewering van Kroon dat de goede bekende van de Oranjes, de journalist Willem Oltmans, betaald werd door de Russische geheime dienst. Een jurist van Time vond deze beschuldiging te weinig onderbouwd en schrapte de zin. De Telegraaf bracht het – citerend uit Time – groot maar moest haastig rectificeren toen bleek dat de gewraakte passage niet was gepubliceerd.
 
Even later probeerde de krant het opnieuw. Prins Bernhard had in 1951 een contract voor de spoorwegfabrikant Werkspoor in Argentinie rondgemaakt waarvoor met medeweten van de toenmalige premier Drees en Nederlandse Bank-directeur Holtrop – later lid van de commissie Donner – 30 miljoen gulden aan steekpenningen zou zijn betaald. Ook dit verhaal bleek, in ieder geval wat de rol van de genoemde personen betreft, op drijfzand te rusten.
 
Maar ook de in sommige ogen als halve staatsomroep opererende NOS had het er moeilijk mee. Enkele dagen na de toespraak van Den Uyl kregen de medewerkers van het NOS-journaal van hogerhand te horen dat eigen “spitwerk” niet op prijs werd gesteld. Het toppunt van schijnheiligheid in de televisiewereld kwam van de NOS-rubriek Panoramiek. Het zond een uitgebreide reportage uit over de “nieuwe journalistiek” en berichtte uitvoerig over de reporters Woodward en Bernstein van de Washington Post en hun rol in het Watergate-schandaal. Maar een interview met een andere onverschrokken verslaggever, Jack Anderson, werd niet uitgezonden. Hij vertelde hoe hij bij de Amerikaanse beurscommissie informatie had verzameld over prins Bernhard en steekpenningen..
 
 
Op vrijdag 15 februari 1976 was er een gala van het Wereld Natuurfonds in het Amsterdamse Hilton-hotel met als eregasten Juliana en Bernhard. Een zenuwachtige directie had binnen –en buitenlandse bladen met forse koppen over Bernhard al uit de kiosk laten verwijderen. De overgevlogen verslaggever van de Britse zondagskrant The Observer noteerde: “De meeste aanwezigen bleken niet op de hoogte van het feit dat deze zaken gemeld waren door een Amerikaanse instelling.” Een cameraploeg van de KRO-rubriek Brandpunt registreerde aan het einde van de bijeenkomst een aantal met enigszins dikke tong, geaffecteerd sprekende gezeten Amsterdamse burgers. Zij weigerden de schunnige taal van de overkant van de oceaan te geloven. Het was de schuld van die linkse jongens van het kabinet Den Uyl.
 
Op donderdag 26 augustus 1976 las Den Uyl de regeringsverklaring naar aanleiding van het onthutsende rapport- Donner voor in een muisstille Tweede Kamer.
Dat rapport en de manier waarop Den Uyl er mee omging kreeg een bijna juichende ontvangst in de Nederlandse media. De schroom om ook onaangename zaken betreffende het Oranjehuis te publiceren was voorbij. Maar het had wel even geduurd.