Grotere informatie-behoefte botst met afnemend vertrouwen in de media
Door Redmar Kooistra
Net als bij de verkiezingen voor een nieuwe president in de Verenigde Staten speelt bij de onlangs gehouden Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer het begrip ‘vertrouwen’ een centrale rol. De coalitie van CDA, PvdA en ChristenUnie - het vierde kabinet-Balkenende - slaagt er na anderhalf jaar regeren niet goed in kiezers te overtuigen van de juistheid van de koers die wordt gevaren. Hoewel de werkloosheid laag is, er veel wordt geÑ—nvesteerd in de samenleving en de nationale begroting geen tekort maar een overschot vertoont, gelooft een groot deel van de kiezers blijkens peilingen niet dat het met Nederland de goede kant op gaat. Het vertrouwen ontbreekt.
Het klimaat waarin het kabinet opereert is guur; de toon van het politieke debat is schril en op talrijke websites vinden venijnige discussies plaats tussen heethoofden die de politiek en haar ambtsdragers zonder pardon voor rotte vis uitmaken. Traditionele media die hun sites voor zulke confrontaties beschikbaar stellen, wordt daarop vaak zonder enige aanleiding verweten tot de ‘linkse kerk’ te behoren. Het uitgangspunt dat deze verbale scherpschutters daarbij hanteren is dat hun mening vanzelf spreekt en dat wat de politiek en de media doen zeer verwerpelijk en zelfs schandalig is. Om grote woorden zitten zij nooit verlegen.
De pluriformiteit van de media en de publieke meningsvorming komen in het huidige tijdsbestek steeds meer onder druk te staan. In de media die zichzelf serieus nemen en telkens weer proberen de kwaliteit van de informatie die ze bieden hoog te houden, is nog volop ruimte voor uitwisseling van meningen en opinies. Maar op internet ontbreekt nagenoeg elke toetsing: iedereen kan er naar hartelust terecht om te reageren op nieuwsfeiten of opvattingen van anderen. Het internet is daarmee op veel plaatsen een vergaarbak van scheldpartijen, verdachtmakingen en verwensingen. Voor wie belang hecht aan kwaliteit is zulke informatie zelden bevredigend.
In de Verenigde Staten is de belangstelling voor politiek op dit moment, voorafgaand aan de presidentsverkiezingen, blijkens recent onderzoek ongekend hoog. Hoewel jongeren zich er minder door aangesproken voelen dan ouderen, is de gemiddelde belangstelling voor het democratische proces aanzienlijk groter dan bij vorige gelegenheden. Zo’n 43 procent van de Amerikaanse bevolking zegt de ontwikkelingen op de voet te volgen. Daarvoor zijn uiteraard de media nodig. Opvallend is dan ook dat nog maar een - zelfs slinkende - minderheid vertrouwen stelt in wat de media te bieden hebben: slechts 43 procent van de ondervraagden denkt dat zij hen ‘volledig, nauwgezet en eerlijk’ informeren.
De financiële verwikkelingen van de kredietcrisis en het slechte nieuws dat Wall Street dagelijks oplevert, zouden kunnen verklaren dat mensen weliswaar zeer geÑ—nteresseerd zijn, maar dat zij de informatie die de media verstrekken wantrouwen. Toch kan dat niet de hoofdoorzaak zijn, want het vertrouwen in de media loopt volgens langlopend Amerikaans onderzoek al jaren gestaag terug. De argwaan moet dus een andere voedingsbodem hebben. Als de vraag naar informatie wegens toegenomen belangstelling voor het politieke proces groeit, maar de media die in deze behoefte voorzien steeds meer wantrouwen ondervinden, is dat een zorgwekkende ontwikkeling.
De vraag is of deze tendens zichzelf de komende tijd nog verder versterkt of dat de media het gevaar van dreigende irrelevantie onderkennen. In dat laatste geval zullen vertegenwoordigers van de media die de journalistiek op een professionele en onafhankelijke wijze willen bedrijven, zich op een geloofwaardige en overtuigende manier schrap moeten zetten en moeten proberen het vertrouwen te herwinnen. De inspanningen die daarvoor nodig zijn, overstijgen de belangen van de journalistiek. Er staat immers veel meer op het spel.
Een grote krant als The New York Times heeft zich een paar jaar terug bij haar lezers verontschuldigd voor het feit dat zij zich na de terroristische aanslagen van september 2001 teveel heeft laten meeslepen door het patriottisme dat in de periode erna georkestreerd werd opgevoerd. En dat patriottisme schiep vervolgens het klimaat waarin de Verenigde Staten en enkele bondgenoten besloten tot een eenzijdige en een, naar later is vastgesteld, ongerechtvaardigde aanval op het Irak van de verguisde dictator Saddam Hoessein. De nieuwsmedia verzaakten hun rol van kritische waarnemer en verzuimden vragen te stellen die toen gesteld hadden moeten worden. Het was moedig van The New York Times dat te erkennen, al kwam die erkenning zoveel later
Het zelfreinigend vermogen van de journalistiek vergt evenwel meer dan een eenmalige erkenning van gemaakte fouten. De democratische rechtsstaat dient in onafhankelijke, kritische journalistiek zijn grootste bondgenoot te vinden, zoals vooraanstaande politici meer baat hebben bij geestverwanten die hen durven tegenspreken dan bij volgelingen die alles maar beamen. Vertrouwen en respect, die voor een ontspannen samenleving onontbeerlijk zijn, gedijen alleen als tegenspraak en alternatief bespreekbaar zijn. Die rol is bij uitstek weggelegd voor de media.
John McCain, de kandidaat voor het presidentschap van de Republikeinse Partij, gold altijd als iemand die toegankelijk was voor journalisten. Hij beloofde zelfs dat hij als president regelmatig persconferenties zal gaan geven. Maar McCain en zijn keuze voor het vice-presidentschap, gouverneur Sarah Palin van Alaska, mijden de directe ontmoeting met de media nu in alle opzichten. Wel sneren ze met zichtbaar genoegen en onder applaus van hun partijgenoten naar de vermeende vooringenomenheid van de media, die de Democratische kandidaat Barack Obama voortdurend zouden bevoordelen. Dat allerlei lokale praatprogramma’s en een zender als Fox News zonder reserve waken over de omstreden erfenis van acht jaar Republikeins beleid blijft geheel onvermeld.
In ‘the land of the free’ wordt onafhankelijke en professionele journalistiek door de kandidaat-president en zijn landelijk onervaren kandidaat voor het vice-presidentschap stelselmatig verdacht gemaakt, terwijl de vooringenomenheid van rechts-conservatieve media als een vaderlandslievende vanzelfsprekendheid geldt. De vrijheid van meningsuiting verwordt op deze manier tot een - ook commercieel - instrument om ‘de elite’ de mond te snoeren in het belang van ‘de gewone man’, die in Amerika veelzeggend ‘Joe Sixpack’ heet.
In Nederland zijn de verhoudingen, zelfs als er verkiezingen zijn, minder gespannen dan in de Verenigde Staten.
Maar ook hier dreigen vergroving en versimpeling, ook hier worden valse tegenstellingen tussen ‘de’ bestuurselite en ‘de’ gewone mensen geschapen. En ook hier laten media zich verleiden tot loze rellerigheid. De media behoren met zelfbewustzijn hun zelfstandige positie te behouden en te verdedigen en niet afhankelijk te worden van een sfeer van opwinding die sommigen moedwillig creëren. Met feiten die kloppen, analyses die verhelderen en commentaren die hout snijden beschikken de media over alle instrumenten die nodig zijn om de geloofwaardigheid van hun informatie te staven.
Van het verloop van verkiezingscampagnes in de Verenigde Staten kan de journalistiek in Nederland vooral leren hoe het niet moet. De vraag is welke lessen de Amerikaanse journalistiek trekt, op straffe van een verdere teloorgang van het vertrouwen van de burger.
Redmar Kooistra