Journalistiek verwaarloost haar rol in crisisoverleg
Door Redmar Kooistra
Na een vier weken durend beraad heeft het kabinet een pakket maatregelen samengesteld dat wel wordt getypeerd als een ‘reddingsplan’ voor de economie, die in de problemen kwam nadat de kredietcrisis vanuit de Verenigde Staten was overgewaaid naar andere delen van de wereld. Politici, en in hun kielzog de journalistiek, zuchtten en kreunden dat het allemaal zo verschrikkelijk lang duurde.
Er is hier sprake van een korte memorie.
Bij vrijwel alle voorgaande crises in de jaren 70, 80 en 90, die in ernst en omvang onderdeden voor wat zich in 2008 en 2009 heeft voltrokken, duurde het langer voordat de toenmalige kabinetten met speciale maatregelen kwamen. Maanden soms, zoals ten tijde van het kabinet Lubbers-Kok (de zogeheten Tussenbalans). Evenzeer als nu lagen aan die lange duur partijpolitieke geschillen ten grondslag, wat in een land van coalities nu eenmaal eerder regel dan uitzondering is. Tegen die achtergrond is een akkoord dat in vier weken wordt gesloten zelfs redelijk voortvarend te noemen.
Voor veel journalisten van de generatie die thans het Binnenhof bevolkt, zal het de eerste keer zijn geweest dat ze dagenlang achter het nieuws aanzaten dat er nog niet was; de eerste keer ook dat zij dagen achtereen moesten posten bij het Torentje van de minister-president of bij diens ambtswoning, het Catshuis. Wie dat niet gewend is, is al snel geneigd te denken dat het beraad wel erg veel tijd in beslag neemt.
Omdat echt nieuws ontbreekt, ontstaat de neiging bepaalde elementen die uit het vertrouwelijke overleg wegsijpelen gaandeweg als vanzelfsprekend aan te nemen. Zo kon het de afgelopen weken gebeuren dat verhoging van de leeftijd waarop het ouderdomspensioen tot dusver aanvangt, van 65 jaar geleidelijk naar 67 jaar, van een twistpunt tot een bijna onontkoombare maatregel werd.
De journalistiek beperkt zich op deze wijze niet meer tot berichtgeving - met aanvullende duiding en opiniëring - maar betreedt het speelveld van de politici en bemoeit zich met het spel dat zij spelen. Verhoging van de AOW-leeftijd, ja, dat moest er nu eenmaal toch een keer van komen. En het levert op termijn natuurlijk veel op voor de schatkist. Dit beeld, dat sommige politici graag verspreid zagen omdat zij al langer van die noodzaak overtuigd waren, wordt aldus binnen de kortste keren gemeengoed.
De vragen die aan die tot vanzelfsprekendheid uitgeroepen maatregel vooraf behoren te gaan, zijn in veel media niet of nauwelijks gesteld. In de eerste plaats is hier sprake van een maatregel die niet stond vermeld in de verkiezingsprogramma’s van de partijen die het kabinet vormen. Over dit voortschrijdende inzicht hebben de kiezers zich dus niet kunnen uitspreken, terwijl uit tal van onderzoeken blijkt dat een meerderheid van de Nederlanders er weinig voor voelt.
Maar er zijn meer vragen. Is verhoging van de AOW-leeftijd wel echt noodzakelijk? Gaat gedwongen langer doorwerken niet ten koste van mensen die nu en de komende jaren hun opleiding voltooien en hun opwachting op de arbeidsmarkt maken? Wat betekent het voor ouderen, mensen van boven de vijftig jaar, die werkloos zijn geworden en ervaren dat ook honderd sollicitatiebrieven per jaar geen resultaat opleveren? Als zij nog een werkende partner hebben, komen zij na afloop van hun werkloosheidsuitkering niet meer in aanmerking voor een bijstandsuitkering. Moeten zij dan maar hun huis verkopen? En dat leger van zelfstandigen, waarvan moet dat bestaan als de stroom opdrachten opdroogt? Verarming dan maar?
De journalistiek maakt het de politiek wel erg gemakkelijk door zulke vragen systematisch uit de weg te gaan. Erger nog: door in de berichtgeving al voetstoots aan te nemen dat zo’n maatregel ooit toch genomen moet worden (en waarom dan nu niet?) er zodoende tevens de weg voor te plaveien. Voor tegenstanders van zulk beleid wordt het dan steeds lastiger er verzet tegen aan te tekenen, omdat zij dan al snel worden weggezet als onrealistische dwarsliggers.
Voorzitter Agnes Jongerius van de FNV, ’s lands grootste vakcentrale, hield desondanks haar bezwaren overeind. Hoewel haar stellige uitspraak ‘dat maken wij niet mee’ uiteindelijk verwerd tot ‘daar hebben wij grote moeite mee’, heeft Jongerius in het beslissende beraad met het kabinet bereikt dat de Sociaal-Economische Raad (SER) met een alternatief voorstel mag komen. Dat kan dus - om uiteenlopende redenen - betekenen dat de verhoging van de AOW-leeftijd op de lange baan wordt geschoven. In elk geval staat die verhoging nu nog allerminst vast.
De journalisten die de afgelopen weken in hun berichtgeving deden uitkomen dat het wel op verhoging van de AOW-leeftijd zou uitdraaien, hebben een probleem. Hoewel zij daarvoor niet snel zullen uitkomen, hebben ze de publieke meningsvorming een buitengewoon slechte dienst bewezen. Hun nalatigheid om afdoende na te gaan of verhoging van de AOW-leeftijd wel noodzakelijk is, is spiegelbeeldig aan hun voorbarig uitgesproken vermoeden dat ons dit te wachten staat.
Feit is nu dat de SER tot oktober de tijd krijgt met een advies te komen, waarbij minister Donner (Sociale Zaken, CDA) stelt dat het dan om een unaniem advies moet gaan. Dat wordt betwist door de FNV-voorzitter. Als het kabinet eind van dit jaar tot de conclusie komt dat het geen reden ziet het SER-advies over te nemen, kan het de verhoging van de AOW-leeftijd wettelijk voorbereiden. Met wetgeving gaat echter geruime tijd heen. Daaruit vloeit voort dat de maatregel op z’n vroegst in het verkiezingsjaar 2011 kan worden ingevoerd.
Je hoeft geen zeer ingewijde journalist in Den Haag te zijn om te beseffen dat de politieke animo om de kiezer juist op dat moment een zo omstreden maatregel door de strot te duwen niet erg groot zal zijn. En of bij de politieke partijen de moed aanwezig is de wenselijkheid ervan op te schrijven in hun verkiezingsprogramma kan ook sterk worden betwijfeld. Dus wat een groot deel van de Haagse journalistiek al als een vanzelfsprekendheid voorschotelde, staat juist op losse schroeven. Dat komt ervan als de journalistiek denkt te moeten meeregeren, maar daarbij het eigen instrumentarium en de eigen verantwoordelijkheid schromelijk verwaarloost.
(25-03-09)
Redmar Kooistra