Ook media moeten zich verantwoorden omtrent Irak-oorlog
Door Redmar Kooistra
Vijf voormalige ministers van Buitenlandse Zaken zijn voorstander van een parlementair onderzoek naar de betrokkenheid van de Nederlandse regering bij de oorlog die de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk in 2003 begonnen tegen het Irak van dictator Saddam Hoessein. Ook de fractie van de VVD in de Eerste Kamer zegt bij monde van haar voorzitter, Uri Rosenthal, het verzoek om een onderzoek te zullen steunen.
De kans dat zo’n parlementair onderzoek er komt lijkt met de dag te groeien, in weerwil van het scherpe verzet van minister-president Balkenende en, in zijn kielzog, toenmalig fractievoorzitter van het CDA, Maxime Verhagen, thans minister van Buitenlandse Zaken. Dat is dan vooral te danken aan het feit dat een aantal leden van de Eerste Kamer Balkenende heeft uitgenodigd in antwoord op een honderdtal vragen definitieve opheldering te verschaffen. Die opheldering is er naar het oordeel van deze senatoren niet, of in elk geval, in onvoldoende mate gekomen.
De minister-president kreeg ruim een half jaar de tijd de vragen uit de Eerste Kamer adequaat te beantwoorden, waardoor - in de woorden van senator Klaas de Vries (PvdA) - een parlementair onderzoek overbodig zou worden. Tot zijn teleurstelling, maar ook die van de VVD, waren de antwoorden van Balkenende onbevredigend. Volgens Uri Rosenthal droegen ze het karakter van ‘Tibetaanse gebedmolentjes die almaar ronddraaien’. Daardoor is de situatie ontstaan dat zelfs de VVD, die in het eerste - destijds demissionaire – kabinet Balkenende regeringsverantwoordelijkheid droeg en dus betrokken was bij de besluitvorming, nu ook van mening is dat een parlementair onderzoek geboden is.
Tijdens de formatie van zijn vierde kabinet heeft Balkenende kans gezien de wens van de PvdA tot het houden van een onderzoek met een veto te treffen. Er viel wat hem betreft niet over te praten. CDA-prominent Herman Wijffels, die in opdracht van het staatshoofd de mogelijkheden onderzocht van een kabinet van CDA, PvdA en ChristenUnie, moest constateren dat de PvdA zich bij de blokkade van Balkenende neerlegde. Hoewel die acceptatie van de PvdA niet expliciet in het regeerakkoord werd vermeld, bond de Tweede Kamerfractie van de PvdA zich aan de afspraak dat ze tijdens de kabinetsperiode niet meer op een onderzoek zou aandringen.
Evenals de VVD in de Eerste Kamer denkt ook Wijffels er inmiddels anders over, al heeft hij daarvoor andere dan staatsrechtelijke argumenten.
Bij een omvangrijk en ingrijpend onderzoek zoals dat naar de betrokkenheid bij een oorlog, wordt vaak gewaarschuwd voor het risico dat een oordeel wordt gevormd op basis van later verkregen informatie. Dat gevaar bestaat inderdaad, maar dat hoeft op zichzelf geen beletsel te zijn om een onderzoek in te stellen. De enquêtecommissie die het parlement na de Tweede Wereldoorlog onderzoek liet verrichten naar het beleid van de regering gedurende de Duitse bezetting (en de Japanse bezetting van Nederlands-Indië) beschikte na afloop van de oorlogsjaren over meer samenhangende informatie dan de regering in Londen ten tijde van de bezetting. Dat heeft aan het onderzoeksresultaat geen afbreuk gedaan.
Van belang is dat bij een onderzoek uitdrukkelijk rekening wordt gehouden met de maatschappelijke en politieke context waarin de besluitvorming tot stand kwam. Welnu, de inval in Irak waartoe de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk in 2003 besloten, kan niet los worden gezien van de terroristische aanslagen die Amerika op 11 september 2001 te verduren kreeg. Hoewel later onomstotelijk is komen vast te staan dat de regering van George W. Bush ten onrechte een verband veronderstelde tussen het terroristische netwerk Al Qaida en het misdadige regiem van Saddam Hoessein, werd daaraan toch een belangrijk motief voor de inval ontleend.
Belangrijke nieuwsorganisaties in de Verenigde Staten, zoals The New York Times, hebben inzake het klimaat waarin zij destijds berichtten over vermeende relaties tussen de aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon, de gevaren van het islamitisch fundamentalisme en Saddam Hoessein, verantwoording afgelegd. Hun conclusie was - samengevat - dat zij zich al te zeer hadden laten leiden door de golf van vaderlandslievendheid die toen over het land spoelde, en te weinig aandacht hadden voor het belang van waarheidsvinding en de journalistieke plicht de berichtgeving met feiten te staven. De invloedrijkste krant van Amerika heeft zich voor deze nalatigheid uitvoerig verontschuldigd.
Als nu in Nederland een onderzoek wordt gehouden naar de manier waarop het - demissionaire - kabinet-Balkenende I meende politieke steun aan de oorlog tegen Irak te moeten verlenen, zou tevens gekeken moeten worden naar de rol van de Nederlandse media. Naarmate het begin van die oorlog langer geleden is, zijn de media daarover met meer nuance gaan berichten. Maar ook in Nederland hadden de terroristische aanslagen van september 2001 erg veel indruk gemaakt, waardoor kritiek op de Verenigde Staten aanvankelijk bijna ongepast leek.
Een onvoldoende kritische houding van de journalistiek kan in zulke belangrijke kwesties verstrekkende gevolgen hebben. Dat geldt zowel de berichtgeving als de opiniëring. Zo’n houding kan ertoe bijdragen dat ook kritische geluiden in het parlement verstommen en dat verregaande maatregelen op het terrein van veiligheid overhaast genomen worden. Als de media in zulke omstandigheden onvoldoende afstand houden van degenen die politieke verantwoordelijkheid dragen, kan een gespannen situatie ontstaan waarin gedegen parlementaire toetsing van besluitvorming in het gedrang komt.
Op enkele uitzonderingen na (zoals columnist H.J.A. Hofland van NRC Handelsblad en De Groene Amsterdammer, die zich altijd tegen de oorlog heeft verklaard) hebben de grote nieuwsorganisaties in Nederland er tot dusver weinig blijk van gegeven bereid te zijn om te laten zien hoe zij destijds tot hun oordeel kwamen. Als kranten dezer dagen in hun commentaren onbekommerd bepleiten dat er een parlementair onderzoek moet komen naar het regeringsbeleid, zouden die pleidooien sterk aan geloofwaardigheid winnen als ze ook een overzicht publiceren van hun beoordeling van de situatie voordat de oorlog begon en de periode waarin die werd gevoerd. Was er, bijvoorbeeld, naar hun oordeel wel of geen nieuwe resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties nodig (na resolutie 1441) om een oorlog te rechtvaardigen?
De resultaten van het onderzoek naar de oordeelsvorming van de media, dat op korte termijn door onafhankelijke wetenschappers verricht moet worden, kunnen betrokken worden in de daarop volgende parlementaire enquête. Tal van publicaties voor en tijdens het verloop van de oorlog kunnen verhelderend werken voor het denken dat het toenmalige kabinet en de toenmalige coalitie tot hun besluit brachten. In een ander verband heeft de Universiteit van Amsterdam eerder vergelijkbaar, zeer nuttig onderzoek gedaan naar de berichtgeving in de Nederlandse media over de gruwelen die zich voor de ogen van Nederlandse blauwhelmen voltrokken in Srebrenica.
Een onderzoek naar de rol van de media zou het zelfreinigend vermogen van die media vergroten en bij een volgende gelegenheid kunnen bijdragen tot een zuiverder benadering van vraagstukken van oorlog en vrede, zoals een parlementair onderzoek volgende kabinetten kan dwingen alle terzake van belang zijnde ambtelijke waarschuwingen ernstig in overweging te nemen. Als dat niet gebeurt, voedt dat het wantrouwen van de kiezers en de scepsis in de samenleving over het functioneren van de politiek in de democratische rechtsstaat. Als geen ander dienen de media zich daarvan bewust te zijn en ernaar te handelen.
Redmar Kooistra