Dossiers


Media laten zich meeslepen door de mantra van de politiek

door Jan van Groesen
Lees verderverder

De effectiviteit van journalistieke codes: een literatuurstudie

door Richard van der Wurff en Klaus Schoenbach
Lees verderverder

Effectiviteit van journalistieke codes (PDF 507 Kb)

Dr. Richard van der Wurff Prof.dr. Klaus Schoenbach
Lees verderverder

MON en ONO willen ombudsman NOS terug

door Jan van Groesen
Lees verderverder

Geen aparte gedragscode voor internet-journalistiek

door Jan van Groesen
Lees verderverder

Threats to ethical journalism in the New Media age

door Prof. dr. Edward Wasserman
Lees verderverder

Oud nieuws is geen nieuws

Door Redmar Kooistra

In een uiterst ongebruikelijke oproep hebben de fracties van CDA, PvdA, VVD en ChristenUnie aan Kamervoorzitter Gerdie Verbeet gevraagd zich in te spannen om de aanhoudende verruwing van het taalgebruik in ’s lands vergaderzaal tegen te gaan. De voorzitter zou haar autoriteit moeten aanwenden om Kamerleden die hun boekje te buiten gaan ter verantwoording te roepen of hun het woord te ontnemen.
Uitlatingen die aanstoot geven, worden regelmatig en zonder enige scrupule gebruikt, vooral door fractieleden van de Partij van de Vrijheid, de PVV van Geert Wilders, die zelf ook grossiert in beledigingen en verwensingen van collega’s of ministers. Moeiteloos noemt hij iemand ‘knettergek’ of maakt hij delen van de bevolking uit voor ‘tuig’ of ‘uitschot’ dat zo snel mogelijk het land moet worden uitgezet.
Wilders c.s. debatteren niet in de Tweede Kamer, zij gebruiken dit podium om hun achterban toe te spreken en te behagen. Daartoe nemen zij maximaal afstand van de omgeving waarin zij verkeren om te laten zien dat zij er wel zijn, maar er eigenlijk niet bijhoren. Taalgebruik en toonhoogte zijn daarbij hun instrumenten. Als een paar raddraaiers van Marokkaanse komaf in Gouda buschauffeurs lastig vallen, staat ‘de stad in brand’ en moet ‘het leger erop worden afgestuurd’.
 
Onder de kop ‘Ik ben Kamerlid, dus ik ben verbijsterd’, schreef journalist en publicist Joris Luyendijk onlangs in NRC Handelsblad dat in de Tweede Kamer ‘met verbijstering is gereageerd op het bericht dat fracties in het parlement dit jaar al tweehonderdzevenentachtig keer ergens “verbijsterd” over zijn geweest’. Het is een en al verbijstering, constateert Luyendijk. Geen partij lijkt helemaal vrijuit te gaan en de verbijstering sijpelt door naar provincies en gemeenten.
Maar Luyendijk wijst ook op de rol van de media. Verbijstering is gewoon een fijn woord, citeert hij een Kamerlid. ‘Dan zit je met de fractie televisie te kijken, en dan zien we iets waarvan we denken: hé, als we hierover verbijsterd zijn, halen we misschien de media. Of een journalist is een misstand op het spoor gekomen, en heeft voor zijn verhaal nog een verbijsterd Kamerlid nodig. Zeg maar eens nee. Dan loopt zo’n journalist gewoon door naar een andere fractie’.
 
Hier wordt een situatie blootgelegd die politiek en maatschappelijk alleen maar verliezers oplevert. Als politici bijna alles ‘verbijsterend’ vinden, verdwijnen echte misstanden heel makkelijk in de mist van het gebrek aan taalvaardigheid om ze daadwerkelijk en effectief aan de kaak stellen. Toen het aantal moties in de Tweede Kamer nog op de vingers van één hand te tellen was, vormde zo’n motie een scherp instrument; nu er vele honderden per jaar worden ingediend en aangenomen is de kracht van een Kameruitspraak goeddeels verdwenen.
 
Er is nog een ander effect. Ook het publiek went aan de overtreffende trap en neemt daar in al zijn verontwaardiging geen genoegen meer mee. Het eist een nog scherpere veroordeling van wat het verwerpelijk en dus ‘verbijsterend’ vindt. In deze mallemolen houden kiezers en gekozenen elkaar in toenemende mate gegijzeld, terwijl media er niet voor terugdeinzen deze woordenoorlog dagelijks en eindeloos van nieuwe brandstof te voorzien. Wilders heeft daar geen moeite mee, het is zijn bestaansgrond. Maar anderen zouden zich vaker achter de oren moeten krabben vooraleer zich met grote passen naar de microfoon te spoeden.
 
Hoe gevaarlijk het gebruik van grote woorden kan zijn, leert ons de Amerikaanse verkiezingscampagne. Die door de zender CNN als ‘oorlog om het Witte Huis’ betitelde strijd, is ontaard in een bitter gevecht om de kiezersgunst, waarbij de democratische kanshebber Barak Obama al is omschreven als ‘gevaarlijk’, ‘terroristenvriend’ en ‘leugenaar’. Zijn opponent en medesenator John McCain zegt zulke dingen doorgaans niet openlijk, maar in de spotjes die hij laat uitzenden, komen al die insinuaties en beschuldigingen onophoudelijk terug. Met uiteraard de toevoeging: ‘I’m John McCain and I approve this message’.
Dan is het ook niet verwonderlijk dat de heethoofden onder de aanhang van de Republikeinse kandidaat er nog een schepje bovenop willen doen. Als namens McCain wordt beweerd dat Obama ‘gevaarlijk’ is - om ’t even of dat is wegens zijn vermeende onervarenheid of omdat hij een ‘terroristenvriend’ zou zijn - dan schreeuwt het publiek om een nog hardere aanpak van deze kandidaat. ‘Ik ben woedend’, riep een aanhanger van McCain, om de kandidaat vervolgens gedecideerd de mond te snoeren toen hij wilde antwoorden. ‘Let-me-finish’.
 
McCain en zijn kandidaat voor het vice-presidentschap, gouverneur Sarah Palin van Alaska, hebben een flinke achterstand opgelopen in de aanloop naar de verkiezingsdag op 4 november. ‘De handschoenen moeten uit’, zei Palin, waarmee ze feitelijk aankondigde de verdachtmakingen, verdraaiingen en halve waarheden in een nog grotere frequentie over de Amerikaanse kiezers te willen uitstorten. En toen was daar opeens de schreeuw uit de anonieme menigte: ‘Kill him’, een wanhopige oproep tot moord op Obama om hem van het presidentschap af te houden.
 
‘Woorden hebben hun betekenis’, schreef oud-VVD-leider Frits Bolkestein ooit. Verruwing van het taalgebruik, zoals in Nederland, en ongefundeerde beschuldigingen in fraaie volzinnen in Amerikaanse televisiespotjes ontnemen de woorden hun feitelijke betekenis. Met taalverruwing en onwaarachtigheid wordt de boel opgejaagd. Dat leidt uiteindelijk tot politieke en maatschappelijke polarisatie en escalatie, die de samenleving ernstig kunnen ontwrichten. Een politicus als John McCain, die beweert de belangen van zijn land op de eerste plaats te zetten, wekt met zijn optreden eerder de indruk van het tegendeel. En dat verwijt hij dan zijn tegenstander.
 
In zo’n opgewonden, verhitte sfeer kunnen de media de gemoederen nauwelijks tot bedaren brengen. Toch zouden ze dat wel moeten proberen, met het aloude adagium dat commentaren gratis zijn, maar de feiten heilig. Veel Amerikanen, zo blijkt uit het enorme aantal weblogs van kranten en tv-stations, zijn angstig voor wat ze te wachten staat tijdens de groeiende financiële en economische crisis van dit moment. Bang voor een zwarte president of juist bang dat deze man zal worden vermoord. In zo’n situatie mag van de nieuwsmedia in elk geval wel worden gevraagd over hun rol na te denken.
 
Nog niet zo lang geleden was er een leidend principe in de beoordeling van nieuws dat tegenwoordig goeddeels verlaten lijkt te zijn. Als een politicus een eerder uitgesproken boodschap telkens herhaalde, gold dat als oud nieuws, en de media zijn er niet om oud nieuws te brengen. Zodra de fractievoorzitter van de PVV in herhalingen vervalt, zouden de media dat oude, weloverwogen principe in ere kunnen herstellen. We kennen Wilders’ opvattingen langzamerhand wel. Er is geen enkele reden hem telkens weer dezelfde dingen te laten zeggen. Oud nieuws is immers geen nieuws.
 
Redmar Kooistra