Pauw en Witteman cs schaden imago van de journalistiek
door Jan van Groesen
Zouden Jeroen Pauw en Paul Witteman het zelf beseffen? Dat ze hun journalistieke ziel hebben verkocht aan de fetisjist van de kijkcijfers die sensatie eist in plaats van informatie. Dat ze gewillig vissen in troebel water om relevante kwesties tot rellerigheid te sublimeren. Maar dat de kracht van het beeld in onze tv-democratie ook verantwoordelijkheid vraagt.
De overgang van de woordcultuur naar de beeldcultuur heeft weer een slachtoffer geёist. De reacties op het abrupte vertrek van minister Vogelaar wijzen in die richting. En hoewel PvdA-leider Wouter Bos in het mistige Kamerdebat over Vogelaars ontslag enigszins krampachtig naar een inhoudelijke oorzaak wees, hebben de columnisten en de journalisten de theorie omarmd dat de minister vooral over haar gebrekkige beeldvorming is gestruikeld. Beeldvorming die vooral door de macht van het medium tv wordt gecultiveerd.
Als deze these overeenkomt met de werkelijkheid dan kunnen we al een volgend slachtoffer tegemoet zien, t.w. Ahmed Aboutaleb. De nieuwe burgemeester van Rotterdam verscheen op 3 november in het tv-programma DWDD en voelde zich ongemakkelijk bij de pertinente vragen die hem werden gesteld, met name door sidekick Jort Kelder. Volgens Hans Beerekamp, tv-recensent van NRC Handelsblad, gedroeg Aboutaleb zich zo defensief “dat ook hij moet uitkijken voor de valstrik van het PvdA-autisme”.
Voor publieke figuren als politici is het natuurlijk handig als je over een soepele presentatie beschikt. Maar om een gerespecteerd recensent van autisme te horen reppen als een politicus, die met hufterigheid wordt bejegend, wat aarzelt of geen antwoord geeft, is een maat te ver. Keren we de waarden niet om als we politici afrekenen op hun beeldvorming en voorbijgaan aan hun beleid?
Bij het vertrek van mevrouw Vogelaar is uit en te na verwezen naar haar optreden bij Pauw en Witteman waar ze door Heleen van Royen en Jort Kelder in verlegenheid werd gebracht. En naar haar afgemeten zwijgen tegenover een verslaggever van GeenStijl. Als reŃ—ncarnatie van het succesvolle programma Barend en Van Dorp, waar een ongenuanceerde Jan Mulder voor de sensatie zorgde, hanteren talkshows als Pauw en Witteman, Knevel en van den Brink en DWDD de formule van een of twee presentatoren, bijgestaan door een sidekick die voor het opleuken mag zorgen of met verbaal geweld een voltreffer mag plaatsen. Het is een vorm van amusement die kennelijk door veel kijkers wordt geapprecieerd. De formule laat echter geen ruimte voor de nuance of een inhoudelijke discussie. Ze krijgt, vaak op subtiele en soms op ronduit grove wijze, vorm in een overvalstactiek waarbij de ene presentator de indruk wekt een rustig gesprek met zijn gast te voeren terwijl zijn collega of de sidekick onverhoeds een boude opmerking plaatst, waardoor de gast van zijn apropos wordt gebracht. De inbreng van de sidekick is vooral bedoeld om te shockeren of te ruziën (Kelder tegen Vogelaar: ”volgens mij moet u eens een cursusje charisma gaan volgen”; een genant schreeuwende Jan Mulder tegen Felix Rottenberg bij DWDD). Al geef ik toe dat good old Hannie van Leeuwen in die rol bij Knevel en van den Brink een aandoenlijke indruk maakt.
In een vertegenwoordigende democratie leggen politici verantwoording af aan het parlement en de burger. Omwille van de openheid is het noodzakelijk dat ze door journalisten stevig aan de tand worden gevoeld, wat in de Nederlandse journalistiek helaas onvoldoende gebeurt. Stevig ondervragen is echter niet hetzelfde als de drammerigheid van GeenStijl en de impertinentie van de sidekick in de talkshows, waarmee opzettelijk het beeld wordt neergezet van een hulpeloos politicus. Volkskrant-columniste Evelien Tonkens schreef in dit verband op 19 november over journalisten die politici “aanranden” en over “de inquisitie van Van Royen en Kelder bij Pauw en Witteman”.
Het is de dwingelandij van de formats die het journalistieke karakter van de talkshows verstikt. In de jacht naar kijkers worden gasten van verschillende disciplines bijeengebracht, waarbij uitgangspunten als ‘opzien baren’ (een imam die geen handen wil schudden), ’in opspraak zijn’ (een dominee die niet in God gelooft), ‘rellerigheid’ (Sinke, van de Linde en Verdonk) en ‘confrontatie’ (Freek de Jonge contra Peter R. de Vries) in een vast keurslijf worden geperst. En in een onbestemde achtergrond speelt ook leedvermaak bij voortduring een rol: mensen in de problemen brengen en met grote nieuwsgierigheid blijven kijken of en hoe ze zich eruit redden. Filosoof Joep Dohmen schreef daarover in De Volkskrant: ” Er is fundamenteel iets aan de hand met onze identiteit die erg draait om aandacht en erkenning. De Idolscultuur. Bij Pauw en Witteman en DWDD zijn alleen helden en kunstenaars welkom; leuke, snelle mensen die flitsend uit hun woorden kunnen komen. Iemand die trager is, of onzeker, of die genuanceerd is, heeft er niets te zoeken”.
Het is daarom begrijpelijk dat steeds meer politici zulke talkshows mijden. De maat genomen worden door een ondeskundige sidekick, nodigt niet echt uit. En de onvoorspelbaarheid van de setting maakt de kans gering dat ze hun verhaal over het voetlicht kunnen brengen. Het mag dus niet verwonderen dat de shows weinig nieuws opleveren of met veel kabaal valse lucht produceren (Peter R. de Vries en Natalee Holloway). Als Freek de Jonge bij Pauw en Witteman uitvaart tegen Peter R. de Vries over diens obsessie met Joran van der Sloot, kan Paul Witteman tegenwerpen dat het hier om journalistiek gaat, maar hij weet zelf wel beter. Bovendien wordt het Pauw en Witteman verweten dat ze Freek met opzet tegenover de Vries hebben gezet, zoals eerder Ali B bij PvdA-kamerlid Hans Spekman werd geplaatst om het vuurtje op te stoken van diens uitspraken over vernedering van criminele Marokkaanse jongeren. Nieuws levert het allemaal niet op, maar er wordt wel gescoord bij de sensatiebeluste kijkers.
Pauw en Witteman cs zouden moeten erkennen dat ze met hun talkshows de journalistiek vaarwel hebben gezegd en willige coryfeeën zijn geworden van de Hilversumse vermaakindustrie. De keuze van de onderwerpen die in de shows ter tafel komen, wordt niet afgemeten aan het maatschappelijke belang, maar aan het scoringspercentage bij het kijkerspubliek. De religie van het platte gewin, boven de sociale relevantie.
Voor de journalistiek, die toch al onder vuur ligt, is dit een negatieve ontwikkeling. Jongere journalisten kijken ten onrechte tegen Pauw en Witteman op als boegbeelden van tv-journalistiek, in plaats van te zien dat zij hun vaardigheden voornamelijk aanwenden als amuseurs. De samenleving en de democratie zijn er niet bij gebaat dat politici kopschuw worden van de journalistiek. Want dan dreigen alle nieuwsmedia daardoor gedupeerd te worden. Dat is een verantwoordelijkheid waarvan Pauw en Witteman cs zich rekenschap moeten geven. Het is in het huidige klimaat in Nederland voor een journalist vaak al moeilijk genoeg belangwekkende informatie boven water te krijgen.
Jan van Groesen
Media-ombudsman Nederland