Pers in België laat zich door regionalistische motieven meeslepen
door Jan van Groesen
Als de verhoudingen in een samenleving gedurende langere tijd gepolariseerd zijn , is het ook voor de pers niet eenvoudig de noodzakelijke objectiviteit te blijven betrachten. Toch mag juist in een dergelijke situatie van de journalistiek een afstandelijke en kritische blik worden verwacht. Waar tegenstellingen domineren is het, vooral in een democratische omgeving, van wezenlijk belang dat de feiten volledig en op serene wijze worden gepresenteerd. Doet de journalistiek dit niet en laat ze zich in de polarisatie meeslepen dan dreigt het gevaar dat ze als de spreekbuis van de ene of de andere partij wordt gezien en dat ze meehelpt de verhoudingen te verscherpen.
Nadat premier Yves Leterme op de late dinsdagavond van 15 juli jl. het ontslag van zijn regering aan de koning was gaan aanbieden, verschenen de dagbladen in Belgiё woensdag met voorpagina’s waarbij van een afstandelijke registratie van de feiten nauwelijks sprake was. Wie die dag de bladen in het Vlaamse en het Waalse gewest heeft gevolgd zal moeten erkennen dat er eerder sprake was van pamflettisme dan van een feitelijke weergave van de gebeurtenissen. Voorpagina’s die uitschreeuwden wie de boosdoener was, weliswaar voorzien van de opdruk Commentaar, maar zo uitzonderlijk opgemaakt en zo in lijn met wat er in de nieuwskolommen over werd gemeld dat nieuws en commentaar hier volledig samensmolten. De nuancering die in sommige hoofdredactionele commentaren wel degelijk aanwezig was, werd door deze indringende opmaak volledig overschaduwd.
Zonder de details van de mislukte onderhandelingen exact te kennen noemde De Standaard de verzuchtingen van de Franstalige politici over Leterme’s gang naar de koning bijzonder hypocriet. En het Nieuwsblad spande de kroon met de breed uitgemeten waarschuwing:”Waalse vrienden, ça suffit”. De hoofdredacteur van De Standaard, Peter Vandermeersch, gaf tijdens een kort vraaggesprek met Lieven Verstraete in de politieke tv-rubriek Terzake ook volmondig toe dat hier sprake was van pamflettisme, maar naar zijn zeggen betreft het hier een uitzonderlijke situatie die een bijzondere aanpak rechtvaardigt.
Hetzelfde beeld viel op te tekenen van de Franstalige bladen die de dwingende metafoor evenmin schuwden. Volgens Le Soir heeft Leterme zijn partij stratego verloren en La Dernière Heure riep over de eerste reacties op het ontslag van de premier uit: “Help, hij zou nog kunnen terugkomen”. Het zijn meer politieke dan journalistieke exclamaties.
Natuurlijk mag niet worden ontkend dat Belgiё is bevangen door een politieke crisis die nauwelijks met eerdere kan worden vergeleken. De instellingen van de federale staat worden verlamd door een communautair vraagstuk waarover de verhoudingen tussen de gewesten ernstig zijn verziekt. De eventuele splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde is het symbool van de weerbarstige materie. Over de te kiezen oplossing staan Vlamingen en Walen lijnrecht tegenover elkaar, al lijkt de consensus nu te groeien dat de federale structuur door een confederale inrichting moet worden vervangen. En de persoon van Yves Leterme is, na de vele mislukkingen sinds de verkiezingen van juni 2007, niet de Houdini gebleken die met “vijf minuten politieke moed” zijn land uit de boeien van de staatshervorming kan bevrijden.
De complexiteit van het vraagstuk België is ook niet gering. Dat een deel van de Nederlandse journalisten er nogal eens een handje van heeft om het Belgische communautaire dossier te versimpelen tot de vraag wanneer Vlaanderen zich bij Nederland gaat aansluiten en Wallonië bij Frankrijk, getuigt van weinig inzicht en realiteitsbesef. Journalisten moeten zich vooral als scherpe waarnemers onderscheiden.
Het is daarom ook opvallend en vanuit een journalistiek oogpunt opmerkelijk dat de Vlaamse bladen deze week vrijwel collectief de schuld van de crisis bij de Franstaligen neerlegden en dat de Franstalige bladen op hun beurt unaniem over Yves Leterme hun hoon schamperden. Het zijn uitingen van partijdigheid die zich moeilijk met de noodzakelijke afstandelijkheid van de journalistiek verdragen. Normen van professionele journalistiek zijn niet aan regio’s, noch aan landsgrenzen gebonden. Ondanks het feit dat Peter Vandermeersch meent “dat Waalse en Vlaamse journalisten ook kinderen van hun gemeenschap zijn”. Want dat zou betekenen dat ze geneigd zijn als spreekbuis van hun gemeenschap op te treden en daarmee meer propagandistisch dan journalistiek actief te zijn.
Standaarden van journalistieke ethiek en deontologie hebben niet een Vlaamse of een Waalse of een Nederlandse waarde, maar hebben een universele werking omdat het grote goed van de persvrijheid ondeelbaar is. Een zakelijke weergave van de feiten is voor die universele vrijheid een passend instrument. Veel Amerikaanse nieuwsmedia lieten dit journalistieke adagium onmiddellijk na 11/9 in de steek, gedreven door nationalistische motieven of uit angst van anti-patriottisme te worden beschuldigd. Pas enkele jaren later maakten een paar hoofdredacties (o.m. van de New York Times) excuus aan hun lezers omdat ze na de aanslagen op de Twin Towers hadden verzaakt aan hun plicht, zijnde het kritisch volgen van de macht en het verschaffen van een evenwichtig beeld aan hun lezers.
In de hectiek van de politieke turbulentie in Belgiё dreigt zowel de Vlaamse als de Waalse pers nu eenzelfde houding te etaleren als de Amerikaanse media destijds. Zelfs Yves Desmet, de politiek hoofdredacteur van De Morgen die meestal uitblinkt in een afgewogen oordeel over de politieke ontwikkelingen in zijn land, liet in een korte reactie bij de VRT merken dat ook hij een grote verantwoordelijkheid legt bij de Franstalige politici.
Het moet gezegd dat de geschreven media in België in deze tijd van politieke crisis voor een fiks dilemma staan. Rond de communautaire kwestie is in het land de laatste jaren een sterke radicalisering opgetreden. In Vlaanderen komt die radicalisering tot uiting in de bloei van separatistische en populistische partijen als het Vlaams Belang, de N-VA (de kartelpartner van Yves Leterme’s CD&V) en de Lijst van ex VLD-senator Jean-Marie Dedecker. Maar ook in Walloniё laat met name het FDF (Front Démocratique des Francophones) zich niet onbetuigd met een fel nationalistisch activisme. Uit enkele recente opiniepeilingen is gebleken dat een meerderheid van de Vlamingen voorstander is van onafhankelijkheid, kennelijk in het kielzog van populistische politici die met stoerheid rondbazuinen dat ze niet willen opdraaien voor de financiële problemen van het armlastige Waalse gewest. Met name voor de Vlaamse bladen is het dan verleidelijk het oor te lenen aan hun lezers.
Bovendien vindt dit alles plaats in een tijd waarin de traditionele media, als gevolg van de stormachtige opkomst van nieuwe en digitale media( internet), worden geconfronteerd met teruglopende lezersaantallen en krimpende budgetten. Voor veel kranten is het niet eenvoudig het hoofd boven water te houden. Een beetje meedeinen op het volksgevoel kan dan verleidelijk zijn.
Zo kon het gebeuren dat de Belgische televisiezender RTBF (Franstalig) in december 2006 een nepjournaal uitzond waarin werd aangekondigd dat het Vlaamse parlement de onafhankelijkheid van Vlaanderen had uitgeroepen. Hoewel er in de uitzending fictionele onderdelen zaten die moesten aantonen dat het een grap betrof, was de commotie in heel Belgiё, en ver daarbuiten, groot, ook al bleek uit de reacties dat het Belgicisme niet is uitgedoofd. Volgens de makers van het RTBF-programma was de uitzending bedoeld om de kiezers wakker te schudden voor het komende politieke debat over de toekomst van het land. Als artistieke act was de uitzending wellicht geslaagd, maar de vraag mag worden gesteld of dit de rol is die de journalistiek zou moeten spelen.
De geharnaste voorpagina’s van de Belgische dagbladen over de politieke crisis en het nepjournaal van de RTBF zijn er voorbeelden van dat de journalistiek het politieke veld dreigt te betreden. Hierin schuilt het risico dat er verwevenheid tussen journalistiek en politiek ontstaat die de taak van de pers als kritische volger van de macht bezoedelt. Professionele journalistiek kent immers als vaste ingrediёnten: afstandelijkheid, bewegingsvrijheid, een kritisch oog en non-interventie door de overheid.
Elke journalist zou ervan doordrongen moeten zijn dat de macht van de journalistiek soms erg groot is en derhalve verantwoordelijkheidsgevoel vraagt en besef van de belangrijke rol die wordt gespeeld in een democratische samenleving. Een volledige en neutrale weergave van de feiten, eventueel aangevuld met duiding en commentaar, is daartoe imperatief. Het opzichtig gebruiken van de overtreffende trap, het chargeren en overdrijven om bij de lezer te kunnen scoren doet afbreuk aan die principiële taak. Als de journalistiek de lezers naar de mond praat zal zij op termijn haar geloofwaardigheid verliezen.
Jan van Groesen
Media-ombudsman Nederland