Voor de media moet er meer zijn dan Wilders’ PVV
door Redmar Kooistra
Wekelijks kondigen peilingen aan dat de beweging van Geert Wilders, die zich de Partij voor de Vrijheid noemt, bij verkiezingen wel eens de grootste partij zou kunnen worden. De media buitelen over elkaar heen om hiervan melding te maken en gebruiken deze twijfelachtige gegevens vervolgens voor allerlei speculaties over de politieke toekomst van Wilders’ PVV en mogelijke regeringsvorming. Ook is al onderzoek onder ambtenaren gedaan naar de vraag of ze wel voor een regering zouden willen werken waaraan de PVV deelneemt. En dat leidt dan weer tot artikelen waarin het oordeel van een groot aantal ambtenaren, dat zij dat niet willen, wordt verworpen.
Veel is er ook te doen over het cordon sanitaire waarmee partijen ter linkerzijde elke vorm van samenwerking met de PVV zouden afwijzen. Enerzijds wordt afwijzing als ondemocratisch bestempeld, anderzijds wordt samenwerking gezien als een principieel verwerpelijke daad wegens het abjecte karakter van Wilders’ gedachtegoed. In het CDA woedt daarover een interne discussie, die de partij veel schade kan berokkenen omdat voor- en tegenstanders van een resolute afwijzing van samenwerking met Wilders lijnrecht tegen over elkaar staan. In elk geval duiden deze verwoede discussies er op dat de PVV een centraal thema in het politieke debat is geworden. Ten onrechte.
Het is vreemd dat de media eraan meewerken dat dit debat op deze manier wordt verengd. In de eerste plaats zijn er voorlopig geen verkiezingen voor de Tweede Kamer - die voor het Europees Parlement kunnen als gevolg van een vermoedelijk opnieuw zeer lage opkomst van de kiezers niet als maatgevend worden beoordeeld. In de tweede plaats is de aanhang die Wilders om zich heen heeft verzameld vergelijkbaar met de omvang die de Lijst Pim Fortuyn in 2002 behaalde, hooguit een vijfde van het electoraat. Deze kiezers lijken zich definitief te hebben afgekeerd van de traditionele partijen en vormen daarmee een min of meer stabiele groep ter rechterzijde.
Dit betekent tegelijk dat viervijfde van de kiezers zich niet rekent tot de aanhang van Wilders. Aannemelijk is dat zij zich in het geheel niet voelen aangesproken door de rabiate opvattingen van Wilders en de scherpe toon waarop hij en zijn politieke volgelingen daaraan uitdrukking geven. Deze kiezers, die een omvangrijke meerderheid vormen, komen in het publieke debat nauwelijks aan het woord. In toenemende mate valt op dat de media zich voornamelijk blindstaren op het fenomeen dat Wilders ongetwijfeld is. Dat hij - evenals Rita Verdonk overigens - een eenmanszaak aanvoert, waarbij zijn volgelingen niets hebben in te brengen, wordt hooguit terloops vermeld.
We zouden deze gang van zaken kunnen vergelijken met de situatie in Vlaanderen. Bij onze zuiderburen heeft zich sinds de jaren tachtig en negentig een vergelijkbare ontwikkeling voltrokken. Daar is door de gevestigde partijen destijds terstond een cordon sanitaire tegen het Vlaams Blok (nu: Vlaams Belang) overeengekomen. Die partij werd mede daardoor bij elke verkiezing groter. Ze werd eenvoudig buitenspel gezet, wat haar weliswaar electoraal winst opleverde, maar geen invloed op het bestuur, nationaal, regionaal noch lokaal. In het isolement kan zo’n partij wel groeien, maar op zeker moment komt aan die groei ook een einde, omdat veel mensen nu eenmaal niet willen meewerken aan een voortdurende confrontatie tussen verschillende bevolkingsgroepen.
In Nederland staan we aan het begin van een vergelijkbare ontwikkeling, hoewel we hier niet dezelfde problemen hebben met staatshervormingen als in België. Net als het Vlaams Belang slaagt Wilders erin een deel van het kiezerspubliek te overtuigen van het gevaar van de islam en de onoplosbaarheid van de integratie van nieuwkomers. Maar nog altijd zijn er veel meer mensen die de verwachting hebben en de hoop koesteren dat we de problemen wel degelijk de baas kunnen worden. Die oplossingen komen ook niet uitsluitend uit Den Haag. Wie goed om zich heen kijkt ziet talloze initiatieven om de samenleving leefbaar te houden, om oplossingen te bedenken voor dingen die misgaan, om onverschilligheid te beantwoorden met betrokkenheid.
Wilders moet het hebben van mensen die elk vertrouwen in een betere, gemeenschappelijke toekomst hebben verloren. Die bespeelt hij vakkundig. Voor de overgrote meerderheid van de kiezers geldt dat echter helemaal niet. Voor hen geldt dat zij met overtuiging aanvaarden dat mensen met een andere achtergrond tot onze samenleving behoren. Dat gebeurt in het onderwijs, in de gezondheidszorg, in instellingen en bedrijven. Leven met en werken aan diversiteit is voor het overgrote deel van de bevolking een volstrekt vanzelfsprekend onderdeel van hun dagelijkse patroon. Gelukkig maar, want het type samenleving dat Wilders c.s. voorstaan is er eigenlijk nooit geweest en zal er ook nooit komen.
Waarom doen media niet meer hun best deze werkelijkheid te laten zien? Waarom telkens maar weer verblind kijken in de koplampen van xenofobie die de PVV telkens in al haar schrilheid op de samenleving richt? Waarom al die aandacht voor iemand die geen werkelijke oplossingen te bieden heeft? Natuurlijk, we moeten problemen die zich voordoen niet verdoezelen: rotjochies die stenen naar de politie gooien, jongeren die taalachterstanden oplopen en hun opleiding niet afmaken, daarvoor zijn gepaste maatregelen nodig. Maar laten we ook niet doen alsof narigheid alleen en uitsluitend wordt veroorzaakt door mensen die hun oorsprong ergens anders hebben. Dan doen we hen en onszelf te kort, want we hebben elkaar hard nodig.
Veel mensen, in alle lagen van de bevolking en met zeer uiteenlopende verantwoordelijkheden, zijn daarvan doordrongen, maar ’t lijkt wel alsof ze maar zelden aan het woord komen. We hebben geen tegenpartij nodig, maar wel een tegenbeweging die het belang van diversiteit onderkent. En vertegenwoordigers van die tegenbeweging moeten gehoord worden, vooral ook in de media.
(24-5-2009)
Redmar Kooistra,
journalist/publicist