Vrije meningsuiting is geen absoluut beginsel
Door Jan van Groesen
Het begrip vrijheid van meningsuiting mag geen speelbal worden van emotionele polemiek. De discussies over dit onderwerp in de media en elders, lijken zich de laatste tijd te centreren rond oproepen tot het niet uitzenden van een film of het verbieden van een boek. Het zijn uitingen van vermeende voorvechters die een inhoudelijk debat frustreren en vanuit hun loopgraven acties voeren die volledig haaks staan op de inhoud van het vrijheidsbeginsel. En die een juiste toepassing ervan in de weg staan.
Een internationale standaard voor menselijk gedrag die door de wereldgemeenschap is geaccepteerd, zou veel problemen tussen volken kunnen voorkomen, zo was de heersende gedachte na de Tweede Wereldoorlog. Vaak echter is de praktische toepassing van zo’n standaard onderhevig aan de cultuurverschillen die de volken van elkaar onderscheiden. Ieder volk wil graag zijn identiteit benadrukken door zijn eigen interpretatie van de standaard vast te leggen. Daarmee wordt internationale overeenstemming tussen volken en staten snel tot een illusie.
Niet alleen tussen volken maar ook binnen bevolkingsgroepen is overeenstemming over een universele gedragsnorm aan erosie onderhevig. De globalisering en de daarmee ontbolsterde bevolkingsmigratie heeft sinds de jaren zestig van de vorige eeuw een toestroom van grote groepen mensen uit andere culturen op gang gebracht, die de discussie over gedragsnormen een nieuwe inhoud heeft gegeven. In plaats van de culturele gezamenlijkheid te onderstrepen is een discours ontbrand waarbij de oorspronkelijke bewoners en de migrerende bevolkingsgroepen vanuit hun onderscheiden culturele achtergrond hun eigen interpretatie van een universele gedragsnorm gaan sublimeren. Veel van de hedendaagse spanningen binnen de westerse samenlevingen getuigen van die onderscheidenheid, waarbij zelfs integratie deze cultuurverschillen niet kan overbruggen.
De Verenigde Naties kondigden op 10 dec. 1948 de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens af om de humanitaire basisrechten vast te leggen. De tekst van artikel 19 van deze UVRM luidt als volgt: Eenieder heeft het recht op vrijheid van mening en meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid om zonder inmenging een mening te koesteren en om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven”.
Op zich zou over de interpretatie van een dergelijke tekst niet veel verschil van mening behoeven te ontstaan. Maar door uiteenlopende exegeses in de bij de VN aangesloten landen, is de praktische toepassing aan grote verschillen onderhevig. De wettelijke beperkingen die men aan dit principe oplegt verschillen aldus per rechtsstaat en per rechtsgebied. Neem bijvoorbeeld de toepassing van de vrije meningsuiting in het Europese domein. Het Europese verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) zag op 4 nov. 1950 het licht. Art. 10 van dit EVRM is gebaseerd op art. 19 van het UVRM, maar brengt daarin een aantal beperkingen aan die verband houden met de bescherming van de goede naam en de rechten van anderen, met de openbare veiligheid, de nationale veiligheid en de territoriale integriteit.
Hier wordt al snel duidelijk dat vrijheid van meningsuiting geen absoluut beginsel is , maar een relatief beginsel. En bij dit relatieve karakter beginnen de moeilijkheden als “prinzipienreiters” elkaar van de juistheid van hun uitleg pogen te overtuigen. Dan raken de gemoederen verhit over wat ogenschijnlijk toch gemakkelijk tot eensluidendheid had moeten leiden.
Er is nog een tweede vertaalslag die de vrije meningsuiting relativeert en die in de huidige felle polemiek wordt veronachtzaamd. In de Nederlandse Grondwet van 24 aug. 1815 (die op 12 sept 1840 in werking trad) staat in art. 7 de vrijheid van meningsuiting omschreven als vrijheid van drukpers: “Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet”. In feite gaat het hier om twee verschillende rechten, t.w. het recht om te openbaren en het recht om te verspreiden. De beperkingen die het Nederlandse strafrecht aan de vrijheid van meningsuiting oplegt richten zich vooral op het verspreiden van laster en smaad, smalend taalgebruik, aanzetten tot haat en belediging van gezagsdragers.
Maar het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens heeft, zoals dat heet, directe werking in Nederland, waardoor er een andere jurisdictie ontstaat. Art. 94 van de Grondwet zegt dat Nederlandse rechters alle wetgeving en bestuur dienen te toetsen aan het EVRM. Niet bekend is of koningin Beatrix destijds van de jurisdictie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op de hoogte was, of dat zij deze bewust heeft genegeerd. In haar fameuze Kersttoespraak van 2006 gaf de koningin aan dat vrijheid van meningsuiting geen vrijbrief is om te beledigen. Een pikante uitspraak in het licht van bestaande jurisprudentie inzake het EVRM die zegt dat vrije meningsuiting niet wordt beperkt als anderen verontrust of gekwetst worden. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens sprak in 1997 uit dat “..vrijheid van meningsuiting niet alleen van toepassing is op ‘informatie’ of ‘ideeën’ die gunstig worden ontvangen of die worden beschouwd als onschuldig of indifferent, maar ook op ideeŃ‘n die de staat of enige sectie van de samenleving beledigen, shockeren of verontrusten” .
Er is in de wereld dus geen integraal concept van het begrip vrijheid van meningsuiting. Wettelijke beperkingen van het begrip kunnen per rechtsstaat aanzienlijk verschillen. En de vrijheid die in Europese landen is vastgelegd moet nadrukkelijk worden gezien in samenhang met het Europese recht.
Het is uiteraard van groot belang dat binnen de wereldgemeenschap consensus heerst over basisprincipes van menselijk gedrag. Maar het is ingewikkeld en niet altijd doenbaar deze principes op verschillende plaatsen eenduidig toe te passen. Degenen die dezer dagen met stoerheid en veel passie de vrijheid van meningsuiting uitdragen, simplificeren vaak de reikwijdte van dit grondrecht, waardoor het aan betekenis dreigt in te boeten. Met verbale kracht trachten af te dwingen dat alles moet kunnen worden gezegd , doet dit internationaal verworven kostbare recht meer kwaad dan goed. Onder de titel “ De teddybeer Mohammed, gesluierde homo’s en het lawaai van Wilders”, schreef hoogleraar informatierecht prof. Egbert Dommering recentelijk in het Nederlands Juristenblad dat de vrijheid van meningsuiting in 2007 geduchte averij heeft opgelopen. “Voor een belangrijk deel kunnen we daarvoor de hand in eigen boezem steken. We maken van de vrijheid gebruik met weinig inzicht in de politieke realiteit van de botsing tussen geseculariseerde en niet geseculariseerde samenlevingen, met weinig inzicht in de verspreiding van berichten in nieuwe electronische media en met weinig gevoel welk publiek we nu eigenlijk met welke boodschap willen bereiken”. Volgens Dommering lijkt zich opnieuw het misverstand vast te zetten dat vrijheid van meningsuiting hetzelfde is als ongecontroleerde vrijheid van individuele expressie.