Dossiers


Geen aparte gedragscode voor internet-journalistiek

door Jan van Groesen
Lees verderverder

Threats to ethical journalism in the New Media age

door Prof. dr. Edward Wasserman
Lees verderverder

De rol van een journalist in de democratie

Door Prof. Mr. Egbert Dommering
Lees verderverder

De ombudsman als passend kwaliteitsinstrument van de media

door Jan van Groesen
Lees verderverder

De nieuwsombudsman, waakhond of schaamlap?

door Huub Evers
Lees verderverder

De journalistiek moet veel verantwoordelijker omgaan met haar machtspositie

door Jan van Groesen
Lees verderverder

Wantrouwen van journalisten in politici is heel gezond

Door Redmar Kooistra

 
Den Haag- (24-10-08)- De directeur voorlichting van het ministerie van Financiën, Jeroen Sprenger, treedt op 1 november aan als Projectdirecteur Overheidscommunicatie Nieuwe Stijl bij het ministerie van Algemene Zaken, het departement van de minister-president. In een artikel in dagblad Trouw (22-10-08) beschrijft hij de relatie tussen journalistiek en politiek, die zich volgens hem nog altijd kenmerkt door wantrouwen. Ten onrechte, volgens Sprenger.
De nieuwe projectdirecteur van Algemene Zaken meent dat “het georganiseerde wantrouwen inmiddels overal is verdwenen, alleen in de journalistiek nog niet”. Hij wijt dit aan het nog altijd heersende adagium dat veteranen als Jan Blokker en Henk Hofland de journalistiek altijd hebben voorgehouden: “de krachtige verwoording van een streven naar kritische journalistiek, destijds verwoord door Jan Blokker en Henk Hofland, is nog steeds niet verstomd”.
Gelukkig maar, zou ik zeggen. Er is voor journalisten alle reden politici scherp en naar volle vermogen op hun daden te beoordelen en niet op hun mooie, veelal door voorlichters ingefluisterde woorden. Het ‘fundamentele wantrouwen’ waarover Sprenger schrijft, of zelfs het ‘georganiseerde wantrouwen’ waarvan hij rept, is niet meer en niet minder dan een instrumenteel bestaansrecht van de media. In een democratie controleert het parlement de regering en kijken de media kritisch toe op hun beider functioneren.
Een voorbeeld maakt duidelijk hoezeer Sprenger zich ten onrechte laat inspireren door de belangen van zijn politieke omgeving, tot dusver de minister van Financiën en binnenkort dus premier Balkenende en diens kabinet. Als columnist (NRC Handelsblad en De Groene Amsterdammer) heeft Henk Hofland vele malen aangedrongen op een onderzoek naar de vraag op welke wijze en met welke argumenten Nederland in 2003 betrokken is geraakt bij de oorlog in Irak. Bij de kabinetsformatie die tot zijn vierde kabinet leidde, heeft het CDA van Jan Peter Balkenende aan aanstaand coalitiegenoot PvdA de absolute voorwaarde gesteld dat zij zou afzien van haar eis dat er een onderzoek naar die Nederlandse betrokkenheid zou komen. PvdA-leider Wouter Bos en diens mede-onderhandelaar Jacques Tichelaar lieten die eis vallen om aan de nieuw te vormen regering te kunnen deelnemen en slikten daarmee een wezenlijke belofte tijdens de verkiezingscampagne in. Dat is een politiek feit van groot gewicht.
Zou Hofland, die altijd tegen de oorlog in Irak is geweest, alsnog moeten instemmen met de politieke koehandel die in Beetsterzwaag is gepleegd, omdat een meerderheid van politici de kiezers informatie over de ‘politieke steun’ aan de oorlog van Amerikanen en Britten wil onthouden? Sprenger schrijft: “In de slag om het publieke vertrouwen is de overheid zelf aan zet. Zij moet haar eigen verhaal naar media en burgers goed hebben georganiseerd. Daarnaast is het verstandig als voorlichters en journalisten met enige regelmaat een goed gesprek met elkaar hebben”.
In de slag om het publieke vertrouwen heeft de overheid zichzelf de afgelopen decennia voorzien van een heel leger voorlichters, op kosten trouwens van kiezers en belastingplichtigen. Beschikte een departement in het begin van de jaren tachtig over een handvol voorlichters, thans heeft elk departement tientallen communicatiespecialisten tot zijn beschikking. Als die er dan nog niet in slagen ‘het verhaal naar media en burgers’ goed te organiseren, rest nog de mogelijkheid van een ‘goed gesprek’.
Mij lijkt dat Jan Blokker wel wat beters te doen heeft dan een goed gesprek met voorlichters. Drie keer per week schrijft hij nog altijd zijn column in NRC. next en tussendoor gebruikt hij zijn schaarse tijd om goed op te letten of politici hem en ons geen loer draaien. Want, het is waar, Blokker wantrouwt ze allemaal, zonder uitzondering, altijd. In weerwil van de wonderlijke oproep van Jeroen Sprenger, wiens vader overigens een zeer verdienstelijk journalist was, doen jongere collega’s van Blokker er verstandig aan zijn voorbeeld te blijven volgen.
Dat journalisten soms ook iets van politici kunnen opsteken, toont Amsterdams burgemeester Job Cohen aan. In een artikel in de Journalist spreekt hij op uiterst genuanceerde wijze over het integratievraagstuk en de journalistiek. Op de vraag of hij vindt dat ‘de journalistiek over de hele linie faalt’, antwoordt Cohen: “Ik heb het niet over falen, en ik spreek liever niet over dé journalistiek, want die bestaat niet. Dé Marokkaan bestaat ook niet, of dé integratie”.
Uit angst nieuws te missen gedragen journalisten zich volgens Cohen te vaak als kuddedieren: de film Fitna van Geert Wilders, Wilders zelf, de zogeheten mislukte integratie. “Journalisten zijn akelig goed in het kritisch volgen van politici en bestuurders en dat is ook heel goed. Maar diezelfde vaardigheid gebruiken ze niet om zichzelf of vakgenoten te beoordelen. Wie bewaakt de bewaker? Ik vind dat de journalistiek dat zelf veel meer zou moeten doen”.
Jeroen Sprenger doet er als Projectdirecteur Overheidscommunicatie Nieuwe Stijl goed aan zich minder zorgen te maken over het instrumentele wantrouwen dat journalisten beweegt. In plaats daarvan zou hij zich moeten afvragen waarom het de overheid, met die honderden voorlichters in en om het Binnenhof, kennelijk nog altijd niet lukt een eenduidig beeld van het politieke bedrijf te verkopen. Als de spindokter van de minister-president voor zijn diensten wordt beloond met een staatssecretariaat (Jack de Vries, CDA, Defensie) zouden journalisten toch ten minste de wenkbrauwen moeten fronsen.
       
 Redmar Kooistra