Dossiers


Geen aparte gedragscode voor internet-journalistiek

door Jan van Groesen
Lees verderverder

Threats to ethical journalism in the New Media age

door Prof. dr. Edward Wasserman
Lees verderverder

De rol van een journalist in de democratie

Door Prof. Mr. Egbert Dommering
Lees verderverder

De ombudsman als passend kwaliteitsinstrument van de media

door Jan van Groesen
Lees verderverder

De nieuwsombudsman, waakhond of schaamlap?

door Huub Evers
Lees verderverder

De journalistiek moet veel verantwoordelijker omgaan met haar machtspositie

door Jan van Groesen
Lees verderverder

Wilders ook voor media beproeving

Door Huub Evers

De film heet ‘Fitna’ (de beproeving, het kwaad) en duurt ongeveer een kwartier. Teksten uit de Koran worden geïllustreerd met beelden die laten zien dat de islam een levensgroot gevaar is. Meer weten we niet over wat in het publieke debat de film van Wilders wordt genoemd. Want publiek debat is er in hevige mate over een film die niemand nog heeft gezien.

Allereerst doet zich de vraag voor of vertoning van de film, gelet op de commotie en de te verwachten gevolgen, niet gewoon verboden kan worden. Vooral in het buitenland, in het bijzonder in landen met een andere traditie op het terrein van persvrijheid, leeft deze vraag. In de woorden van Bozorgmehr Ziaran, de Iraanse ambassadeur in Den Haag: ‘Mij wordt gevraagd 70 miljoen Iraniërs te controleren, maar jullie kunnen niet eens één man in bedwang houden.’ Die man, Geert Wilders, ‘is een racist, een xenofoob. Hij beledigt steeds weer het geloof van een kwart van de wereldbevolking. Hij trekt de intelligentie van 1,5 miljard moslims in twijfel. Dat gaat ver voorbij de grenzen van de vrijheid van meningsuiting.’ (1) Hier past slechts één reactie: geduldig en volhardend in het buitenland uitleggen wat vrijheid van meningsuiting inhoudt, dat dat in ons land een belangrijk grondrecht is en dat de overheid niet de mogelijkheden heeft een film op voorhand te verbieden.

Overigens zijn ook in eigen land pleidooien te horen om de film te verbieden. Zo meent Trouw-columnist Rob de Wijk, dat de rechter uitzending van de film zou kunnen tegenhouden met als argument, dat ‘de nationale veiligheid in het geding (is) als vitale landsbelangen zodanig worden geschaad dat sprake is van – potientiële – maatschappelijke ontwrichting’. Concreet gaat het dan om de dreiging van aanslagen en economische boycots. (2)

Deze reacties leiden rechtstreeks naar de vraag waar de grenzen liggen van de uitingsvrijheid. Mag je in een land als Nederland alles zeggen wat je vindt? Bestaat er een ‘right to offend’ zoals Ayaan Hirsi Ali bepleitte? In het debat tekenen zich twee stromingen af, de legalisten en de moralisten. De legalisten benadrukken, redenerend vanuit de juridische optiek, dat vrijheid van meningsuiting betekent dat iedereen mag zeggen wat hij wil. Ook kwetsen mag, zeker in een column of een cartoon. Heeft niet het Europese Hof voor de Rechten van de Mens bepaald dat de vrijheid van meningsuiting van de media er ook is om denkbeelden en ideeën te verspreiden die schokken, kwetsen of verontrusten? De grenzen aan de uitingsvrijheid worden getrokken door de rechter. Wie zich beledigd, gekwetst of gediscrimineerd voelt zal dus zijn heil moeten zoeken bij die rechter.

De moralisten, bij wie ik mij meer thuis voel, redeneren vanuit een andere optiek: vrijheid van meningsuiting impliceert verantwoordelijkheid. Niet alles wat mag, moet ook. Uitingsvrijheid houdt dus niet een onbeperkt recht op beledigen in en zeker niet op nodeloos kwetsen. De vrijheid van de een eindigt waar die van de ander wordt aangetast. Tolerantie en wederzijds respect kunnen niet bij wet afgedwongen worden, maar zijn wel onmisbaar in een beschaafde samenleving waarin mensen op elkaar zijn aangewezen. 

Voor de pers dienen zich andere morele vragen aan: wat te doen met Wilders, zijn opvattingen en zijn plannen? Is negeren de beste weg? Zou dan een cordon sanitaire de oplossing zijn? Of moeten de media zich niet laten leiden door de vraag hoe verderfelijk bepaalde opvattingen zijn en gewoon berichten volgens het uitgangspunt dat wat Wilders zegt en doet, nieuws is en dat het de taak van de media is om dat nieuws te brengen. Berichten dus, maar hoe? Gewoon of extra kritisch?
De discussie over dit type vragen is niet begonnen bij Wilders. In alle debatten over de vraag wat te doen met partijen en groeperingen die racistische opvattingen koesteren en uitdragen, komen drie opties aan de orde. Allereerst negeren. De pleitbezorgers van deze opstelling van de media vinden dat vooral omdat ze menen dat elke aandacht, hoe negatief of kritisch ook, de partij alleen maar ten goede zal komen. De media mogen extremistische of racistische voorlieden geen podium verschaffen waarop ze propaganda kunnen maken voor hun verderfelijke opvattingen. Het publiek zou de indruk kunnen krijgen dat het om gewone partijen gaat waarmee verder niets bijzonders aan de hand is. De vraag blijft dan toch of de strategie van het doodzwijgen niet veeleer berust op verlegenheid met de situatie en op onmacht om een adequate houding te vinden dan op een bewuste keuze.

Negeren is wenselijk noch effectief, vinden anderen. Doodzwijgen blijkt niet te helpen. Racistische voorlieden weten vaak profijt te trekken uit een positie als de underdog. Ook beroepen journalisten zich graag op het gegeven, dat nieuws nu eenmaal nieuws is en dat een partij als de PVV in onze samenleving een machtsfactor en een politieke factor is geworden, waar de journalistiek niet omheen kan. Het is een opvallend maatschappelijk verschijnsel en daarom verdient dat aandacht van de media. Verderfelijke ideeën verdwijnen niet wanneer journalisten hun kop in het zand steken. Bovendien zou de geloofwaardigheid van de journalistiek op de tocht kunnen komen te staan, wanneer bepaalde gebeurtenissen en ontwikkelingen systematisch onvermeld zouden blijven.

Het gaat in het geval van Wilders en zijn PVV om een partij met negen zetels in de Kamer. Negeren is alleen al daarom geen optie. Bovendien kregen de media in en na het tijdperk-Fortuyn het verwijt dat ze maatschappelijke ontwikkelingen niet tijdig hadden gesignaleerd en dat ze zich te sterk identificeerden met het politieke establishment. Dat verwijt wil de pers niet nogmaals incasseren.


Vervolgens is dan de vraag, op welke wijze aandacht aan ‘racistisch rechts’ besteed moet worden: gewoon of extra kritisch? De ‘pragmatici’, die menen dat ‘gewoon behandelen’ het beste is, vinden hun argumentatie met name in de stelling, dat journalisten de taak hebben om gewoon op te schrijven wat ze horen en zien en dat nieuws nu eenmaal nieuws is. De ‘ideologen’, die de opvatting zijn toegedaan dat journalisten zich ten opzichte van ‘racistisch rechts’ extra kritisch moeten opstellen, menen dat de woordvoerders van die partijen in geen geval gelegenheid moet worden geboden propaganda te maken voor hun denkbeelden en dat daarom interviews uit den boze zijn. Waar nodig aan het woord laten, maar dan ook stevig aanpakken.

Welk standpunt journalisten ook innemen, ze zijn het over één ding in elk geval wél eens: wanneer een groot aantal kiezers zich uit onvrede van de gevestigde politieke partijen heeft afgewend, moet aan dat verschijnsel op zichzelf aandacht worden besteed door de oorzaken ervan te achterhalen en te analyseren, zodat de voedingsbodem waarop de beweging haar kansen krijgt, duidelijk wordt. Ook moeten de consequenties van racistische opvattingen worden voorgehouden aan het publiek, zeker aan degenen die op de betreffende partijen hebben gestemd.

Volgens mij is een zo volledig en evenwichtig mogelijke berichtgeving mét kritisch commentaar en analyse van dieperliggende achtergronden de enig juiste benaderingswijze. In een open en democratische samenleving mag aan lezers en kijkers een volwassen en kritisch oordeel niet op voorhand worden ontzegd.


De ombudslieden van Nederlandse media krijgen geregeld de verwijtende vraag waarom ze iemand als Wilders een podium verschaffen om zijn verwerpelijke ondemocratische en racistische opvattingen rond te bazuinen. De NOS Ombudsman vindt dat de boodschap van Wilders louter en alleen op nieuwswaarde beoordeeld moet worden. Het gaat om ‘de inhoud van zijn boodschap, de mogelijke reacties daarop en de omvang van zijn beweging’. Bovendien moet genuanceerde berichtgeving rekening houden met de effecten van de publicatie. De ombudsman komt tot de conclusie dat de aandacht van de NOS voor Wilders ‘proportioneel’ is, d.w.z. evenwichtig en genuanceerd (3).
De ombudsman van de Volkskrant, bestookt met dezelfde kritische reacties, bepleit het maken van een scheiding in de berichtgeving: over wat Wilders daadwerkelijk doet en zegt, moet de krant berichten, maar wat hij van plan is wordt pas nieuws op het moment dat het voornemen wordt uitgevoerd (4). Ook bekritiseerde hij de maatvoering van de krant, vooral toen Wilders in augustus 2007 een opiniestuk aanbood waarin hij pleitte voor een verbod op de Koran. Bij het stuk stond een redactioneel commentaar waarin de oproep werd gehekeld. Wilders slaat door en is niet meer helemaal toerekeningsvatbaar, zo schreef de krant. Anderzijds werd van het opiniestuk nieuws gemaakt dat tot opening van de krant werd verheven. De ombudsman vond dat de krant niet zo veel aandacht had moeten besteden aan ‘deze bij voorbaat kansloze en volstrekt onrealistische oproep’. ‘Juist omdat de krant het bracht als een serieus nieuwsfeit en er plaats voor maakte op de voorpagina, in plaats van het als wereldvreemde curiositeit te behandelen, werd het een nationale rel.’ (5)


De film die nog door niemand is gezien, gaat waarschijnlijk in maart in première, misschien op tv, maar in elk geval op een internetsite, aldus Wilders. Het debat wordt ongetwijfeld vervolgd.


1. Trouw, 31 januari 2008
2. Trouw, 24 januari en 1 februari 2008
3. 18 en 25 januari 2008 (http://www.nos.nl/assets/ombudsman/columns/250108_wilders.html)
4. 2 februari 2008 (http://www.volkskrantblog.nl/bericht/181766)
5. 25 augustus 2007


Dr. Huub Evers is lector Interculturaliteit en journalistieke kwaliteit en hoofddocent media-ethiek aan Fontys Hogeschool Journalistiek in Tilburg