HET SPANNINGSVELD TUSSEN NIEUWS BRENGEN EN OPENBARE ORDE HANDHAVEN
Laura Bianchi
Politiek en Media, 2007
INLEIDING
Journalisten en politie streven verschillende belangen na. Het spanningsveld tussen enerzijds het brengen van nieuws door journalisten en anderzijds het handhaven van de veiligheid en openbare orde door de politie staat centraal in dit artikel. Journalisten maken informatie openbaar, terwijl de politie er vaak belang bij heeft om bepaalde voorvallen en/of gegevens (nog) niet te verstrekken. Bijvoorbeeld vanwege een onderzoek naar mogelijke daders of in verband met het bewaren van de rust in een wijk.
Het spanningsveld wordt aan de hand van twee casussen over autobranden in Haagse woonwijken beschreven. De aanleiding voor dit thema is het feit dat Omroep West in oktober 2007 verslag heeft gedaan van enkele autobranden in onder meer de Haagse Schilderswijk. Een politiewoordvoerder drong er toen bij journalisten van de omroep op aan om geen melding van de autobranden te maken. Sterker nog, de woordvoerder zei dat ‘als er naar aanleiding van de reportage onrust in de wijk zou ontstaan, de politie Omroep West verantwoordelijk zou houden’. Dit blijkt uit de overdracht van de redacteur die verschillende keren met de politie over de branden heeft gesproken. De opmerking van die politiewoordvoerder vormt een interessant uitgangspunt voor dit artikel over de doelstellingen, werkwijze en ook de verantwoordelijkheden van beide partijen.
Het is van belang om op te merken dat dit artikel vanuit het perspectief van de journalistiek is geschreven. Er is uiteraard zoveel mogelijk geprobeerd om neutraal verslag te doen van de feiten, de achtergrond van beide beroepsgroepen te duiden en hoor- en wederhoor toe te passen. Maar de jas van journalist is in dit geval moeilijk uit te trekken, omdat het gaat over situaties die zich voordoen op mijn eigen werkplek waarbij mijn directe collega’s zijn betrokken. Vandaar dat ik de volgende vraag stel: Is de nieuwsgaring rond de autobranden in Den Haag door de politie belemmerd?
Bij het beantwoorden van deze vraag is het belangrijk om op een rijtje te zetten welke beslissingen journalisten van Omroep West en woordvoerders van de Politie Haaglanden hebben genomen toen deze autobranden zich voordeden. Om die beslissingen goed te kunnen begrijpen is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de doelstellingen en de werkwijze van zowel de media als de politieorganisatie. Met die kennis kunnen de casussen worden geïnterpreteerd, waarna de centrale vraag kan worden beantwoord.
DE MEDIA
Journalisten informeren burgers over ‘het nieuws’ en maken daarbij veelal gebruik van massamedia zoals radio, televisie, dagbladen en in toenemende mate internet. Het werk van journalisten komt kort gezegd neer op het verzamelen van feiten over tal van gebeurtenissen. Ze maken deze feiten en mogelijke verbanden tussen de feiten openbaar. De term ‘journalistiek’ wordt in het Basisboek Journalistiek (Kussendrager, Van der Lugt, Rogmans, 1992) iets breder gedefinieerd: “journalistiek is een activiteit die erop is gericht nog onbekende of nieuwe feiten, meningen en impressies te verzamelen, te ordenen en zo snel mogelijk te publiceren, zodat een groot publiek daarvan kennis kan nemen.”
Wat is nieuws?
Tijdens het vergaren van nieuwsfeiten maken journalisten allerlei afwegingen. Op een nieuwsluwe dag kan een (politieke) beslissing met beperkte nieuwswaarde tot een ‘groot verhaal’ inclusief reacties op de beslissing leiden. Maar dezelfde beslissing kan op een dag met meer en belangrijker nieuwsaanbod tot een kort berichtje worden gedegradeerd of in het uiterste geval zelfs helemaal over de rand vallen.
De volgende stelregels worden in deze afweging gehanteerd: de afstand gedeeld door het aantal doden, de betrokkenheid van Nederlanders en het aanbod van overig nieuws. Daarnaast geldt: ‘Een hond die een man bijt, dat gebeurt wel vaker. Maar een man die een hond bijt, dat is bijzonder. Nieuws is afwijkend van de normale situatie en hoe groter het effect van een gebeurtenis, des te belangrijk het nieuws’ (www.dejongejournalist.nl 2007).
Journalisten hebben te maken met deadlines en met het gegeven dat de krant en de programma’s bij een omroep moeten worden gevuld. Het kan daardoor zomaar voorkomen dat interessante verhalen die niet op tijd klaar kunnen zijn, toch nog overboord vallen en dat andere, sneller te maken verhalen de voorrang krijgen.
Daarnaast wordt bij de afweging om een verhaal wel of niet te brengen, vooral ook gedacht aan de doelgroep van het medium. De vraag die continue wordt gesteld luidt ‘zit ons publiek te wachten op dit verhaal?’ en ‘wat voegt het voor de lezer of kijker toe?’. Hier vindt dus een belangrijke schifting van het nieuws plaats.
Het afstemmen op de doelgroep geeft al aan dat er een weging van het nieuws plaatsvindt en duidt er op dat ook het vergaren van nieuws een tamelijk subjectieve bezigheid is. Ondanks afspraken en richtlijnen op een redactie zorgt ook een individuele journalist voor kleuring en interpretatie en kunnen er dus alsnog discussies plaatsvinden over wat wel of geen nieuws is of zou moeten zijn. Het nieuws is eigenlijk een hele selectieve reconstructie van de werkelijkheid zoals deze door de journalist is geïnterpreteerd (Vasterman en Aerden, 1995).
Functie
De media vervullen een belangrijke rol in het politieke systeem. Ze fungeren als een intermediair tussen publiek en politiek. Volgens Els Witte (2002) zijn de media een essentiële schakel in het besluitvormingsproces. Ze zijn de ‘vierde macht’: ‘ze werken mee aan de totstandkoming van de consensus, aan de handhaving van de stabiliteit en aan het functioneren van het socialisatie- en integratieproces dat zich binnen de samenleving voltrekt.’
Er zijn volgens Ruud Koopmans (2007) vier cruciale functies voor de massamedia in het politieke proces. De eerste is de legitimeringfunctie. Als de media politieke actoren, onderwerpen en beleid zichtbaar maakt, kunnen deze daarna in het publieke domein legitimiteit verwerven. De tweede functie heeft betrekking op de responsie van burgers. Om te weten wat er speelt onder burgers, zijn beleidsmakers afhankelijk van de informatievoorziening via de media. De derde functie is de verantwoordingsplicht van de overheid naar de burgers toe. Het publiek heeft de media nodig om zich een mening te vormen over de instituties en de complexiteit van het vormen van beleid op de verschillende niveau’s. Ten slotte is de vierde cruciale functie de participatie van burgers, waarvoor het hebben van toegang tot massamedia noodzakelijk is. Los van het lobbycircuit, vinden de meeste vormen van burgerparticipatie plaats via bijvoorbeeld niet-gouvernementele organisaties (ngo’s), bepaalde burgerinitiatieven of sociale bewegingen. Alleen als deze initiatieven aandacht krijgen in de pers kunnen ze beleidsmakers beïnvloeden.
Objectiviteit
Veel journalisten zullen zeggen dat zij objectiviteit nastreven. Het is duidelijk dat geen enkele persoon honderd procent objectief kan zijn, omdat iedereen gebeurtenissen interpreteert volgens zijn eigen referentiekader. Maar er zijn wel degelijk richtlijnen waar een journalist zich aan kan houden om zoveel mogelijk objectiviteit te bereiken. Dat zijn bijvoorbeeld 1) het strikt scheiden van feiten en meningen, 2) de verificatie-eis die inhoudt dat nieuws uitsluitend op feiten moet zijn gebaseerd, 3) de attributie-eis die inhoudt dat informatie op identificeerbare bronnen moet zijn gebaseerd en in ieder geval op meer dan één bron, 4) de eis van onpartijdigheid, waarmee wordt bedoeld dat moet worden gestreefd naar een evenwichtige weergave van relevante meningen en het toepassen van hoor- en wederhoor en 5) de afstandelijke, neutrale presentatie van het nieuws waarin dus geen waardeoordelen voorkomen (Vasterman en Aerden, 1995).
Objectiviteit nastreven klinkt mooi, maar zelfs met de genoemde richtlijnen moeten journalisten nog opletten dat zij niet om de tuin worden geleid. Allerlei organisaties hebben belang bij media-aandacht. De overheid wil positieve aandacht voor haar beleid, het bedrijfsleven voor haar producten en non-profitorganisaties willen voor hun belangen en ideeën opkomen. Zo is het een duwen en trekken aan journalisten, die voortdurend op hun hoede moeten zijn niet te worden gebruikt door derden. Een goed voorbeeld zijn ook politici en hun optreden in de media. Zonder de media speelt de politiek een marginale rol, vindt Castells (2004). Onafhankelijke media kaderen volgens hem de politiek in. Als politieke actoren hun verhaal via de media in de openbaarheid willen brengen, zullen ze zich aan de regels van de media moeten houden. De media is de ruimte waarin de politiek opereert en journalisten oefenen veel invloed uit op het ‘product’ dat uiteindelijk wordt gepubliceerd.
Een andere valkuil vormt het gegeven dat er praktische keuzes moeten worden gemaakt. Omstandigheden zoals beschikbare financiën, de tijdsdruk vanwege de deadlines en de beschikbaarheid van apparatuur en verslaggevers wegen allemaal mee in de keuze om bepaalde onderwerpen wel of niet te maken en voor welke aanpak wordt gekozen.
Kortom, het is in de praktijk voor journalisten een hele klus om te voldoen aan journalistieke principes zoals onafhankelijkheid, objectiviteit en onpartijdigheid. Journalisten zeggen vaak dat zij de macht controleren en dat ze een neutraal platform bieden voor uiteenlopende meningen en stromingen in de samenleving. Dat zijn de taken van de journalist in een democratie, de zogenaamde waakhond (Vasterman en Aerden, 1995).
Het is in deze context interessant om een opmerking van Noam Chomsky (2002) over democratie te noemen. Hij waarschuwt voor (Amerikaanse) overheidspropaganda en de media die daarin mee gaan. Volgens hem worden burgers door de media in de hedendaagse politiek gedwongen om na te denken over het soort samenleving waarin ze willen leven en in hoeverre ze willen dat dit een democratische samenleving is. Chomsky wijst op twee verschillende voorstellingen van het begrip democratie: ‘One conception of democracy has it that a democratic society is one in which the public has the means to participate in some meaningful way in the management of their own affairs and the means of information are open and free. (...) An alternative conception of democracy is that the public must be barred from managing of their own affairs and the means of information must be kept narrowly and rigidly controlled. That may sound like an odd conception of democracy, but it’s important to understand that it is the prevailing conception. In fact, is has long been, not just in operation, but even in theory.’ De opmerking van Chomsky heeft vooral betrekking op de Amerikaanse ‘oorlogspropaganda’ en is bedoeld om de media en het publiek bewust te maken van de gevaren en effecten van propaganda. Het biedt ook voor Nederlandse journalisten en burgers een interessante gedachte om in het achterhoofd te houden.
Scoren
De journalistieke afzetmarkt verandert voortdurend onder invloed van concurrentie, commercialisering en de ontwikkeling van nieuwe technologieën. Niet alleen het commerciële dagblad de Telegraaf let goed op de centjes, dat doen ook de publieke omroepen die met minder overheidsubsidie moeten rondkomen. De druk om snel tot goede producten te komen is groot, de oplagecijfers van kranten en de kijk- en luistercijfers bij televisie en radio zijn steeds belangrijker geworden.
De hoge omloopsnelheid van het nieuws lijkt een trend. Media veroorloven het zich nauwelijks om nieuws dat de concurrent brengt te laten liggen, bang om het te missen en daarmee hun eigen publiek te bedienen en dus te scoren. Langslepende kwesties en diepgang lijken het vaker te verliezen van de onmiddellijke actualiteit. Witte beschrijft dit als het ‘hier-en-nu karakter van het nieuws’ (2002). Nieuws is sterk tijdgebonden en de media willen geen van allen een nieuwtje missen, waardoor er een competitieachtige sfeer is ontstaan. En dat heeft effect op de inhoud van nieuwsprogramma’s, vindt Witte. Volgens haar is deze sfeer “geenszins bevorderlijk voor het begrijpen van de politieke gebeurtenissen en ontwikkelingen in hun globale context en in een tijdsperspectief”.
Mediahype
Als media bang zijn om nieuws te missen en zich laten meeslepen door de waan van de dag, dan ligt het verschijnsel mediahype op de loer. Bij een mediahype krijgt een gebeurtenis waarover in de media verslag is gedaan, continue een vervolg zodra er nieuwe informatie beschikbaar is. De massale media-aandacht roept weer nieuwe reacties op, waardoor een nieuwsgolf ontstaat. Het risico is dat journalisten die langs de zijlijn feiten verzamelen, onderdeel worden van het verhaal en het vuurtje door de berichtgeving aanwakkeren. Dit laatste is een essentieel kenmerk van een mediahype. Er is natuurlijk wel vaker sprake van massale berichtgeving. Een verschil is echter dat bij berichtgeving over groot nieuws zoals genocide, de aandacht ontstaat door de aard van het nieuws en niet zozeer omdat journalisten het vuur aanwakkeren. De definitie van een mediahype luidt als volgt: een mediahype is een mediabrede, snel piekende nieuwsgolf die één gebeurtenis als startpunt heeft en die voor het grootste deel het gevolg is van zichzelf versterkende processen binnen de nieuwsproductie (Vasterman, 2005).
Het aanwakkeren van het vuurtje door journalisten is een lastig punt. Een reactie van een relevante persoon over een gebeurtenis kan soms ook als nieuws (follow-up) worden gedefinieerd.
Volgens Vasterman (2005) zijn er onderwerpen die een ideale voedingsbodem lijken te hebben om een mediahype te worden. Dat zijn vooral onderwerpen die te maken hebben met risico’s en met onzekerheid. Een verondersteld risico kan sterk worden uitvergroot en door de interacties tussen de overheid, belangengroepen, media en publiek worden er steeds weer nieuwe impulsen aan het verhaal en aan de berichtgeving gegeven. Door de massale media-aandacht kan de verontrusting bij burgers toenemen, die vervolgens alerter op signalen en kenmerken van het risico gaan letten. Als de media daar verslag van doen en bijvoorbeeld de overheid om een reactie vraagt wordt het actie reactie patroon almaar versterkt en ontstaat er vanzelf een hype.
De berichtgeving over ‘zinloos geweld’ is een voorbeeld van een mediahype. Er was in eerste instantie sprake van een ‘key event’, dus een gebeurtenis waardoor media verslag deden van zinloos geweld. Diverse vergelijkbare gebeurtenissen daarna hebben aandacht in de media gekregen en de media speelden zelf een belangrijke rol in het bepalen van het nieuws door middel van het vragen van reacties, visies en meningen. Daarnaast waren de verschillende media eensgezind in hun keuze voor het nieuws en hoe vaak er aandacht aan het onderwerp werd besteed.
Media, Rampen en Risico’s
Een voorbeeld van een mediahype is wellicht de ontploffing van de vuurwerkfabriek in Enschede, in mei 2000. Het nieuws was een key event, maar na de verslaggeving over de feiten, de gevolgen en de mogelijke oorzaken is het nieuws er een keer vanaf. Journalist Mark Kranenburg toont zich ruim een jaar later verbaasd over de wijze waarop de media ‘de ramp’ hebben verslagen. Volgens hem zijn rampen een product van de nieuwe journalistiek: ‘de journalistiek van de satellietschotels en de close-up beelden van mensen met trillende lippen en tranende ogen. De journalistiek ook van de beschuldigende vinger die zegt: Hoe Heeft Het In Vredesnaam Zover Kunnen Komen?’ (2001). Volgens Kranenburg kwamen alle ontwikkelingen op nieuwsgebied samen: ‘de toegenomen concurrentie c.q. de commercialisering, de technologie en de personifiëring ofwel het nieuws met een menselijk gezicht. Liefst een betraand gezicht.’
De belangentegenstelling tussen pers en overheid komt vooral tot uitdrukking ten tijde van ‘rampen’. Beide partijen staan onder zware druk, maar om verschillende redenen. De media zijn op zoek naar feiten en bevestiging of ontkenning van berichten, willen weten hoe de crisis heeft kunnen ontstaan en wie ervoor verantwoordelijk is. Terwijl de overheid de crisis eerst wil bezweren en nog niet met cijfers en een reactie naar buiten komt. Zowel de media als de overheid hanteren hun werkwijze ‘vanwege de verontrusting onder burgers’. Media en overheid leveren dan ook kritiek op elkaar in de trant van ‘de overheid communiceert slecht’ en ‘de media speculeren teveel’ (Vasterman, 2001).
Op deze manier hebben Omroep West en Politie Haaglanden elkaar bekritiseerd, toen er autobranden in Den Haag waren waarover de omroep verslag ging doen. Dit wordt in de beschrijving van de casussen uitgelegd. Het is noodzakelijk om eerst de werkwijze en doelstellingen van de politie te beschrijven.
DE POLITIE
Nederland is van een nachtwakersstaat in de negentiende eeuw in een verzorgingsstaat veranderd. Vanwege de toename van preventief veiligheidsbeleid, waarmee aan gevoelens van onzekerheid wordt geappelleerd, wordt er tegenwoordig ook wel over een veiligheidsstaat gesproken (Fijnaut, Muller, Rosenthal,1999).
Functie
De overheid neemt de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van burgers op zich en de politie vormt de meest zichtbare exponent van dit beleid. De politieorganisatie heeft een zelfstandige rol binnen de samenleving en speelt een grote rol in het verkrijgen van legitimiteit door de overheid onder burgers. Als de politie het niet goed genoeg doet, dan zwaait er wat voor de politici in Den Haag. De politie is de laatste decennia een centralere rol in de samenleving gaan spelen. De vraag naar politiediensten is sterk toegenomen, zoals blijkt uit het aantal aangiften: in 1960 had de organisatie nog te maken met 130 duizend aangiften. Dat aantal is in 2000 tot 1,3 miljoen gestegen.
De politie vervult taken op drie vlakken die wettelijk zijn vastgelegd. Het gaat om de strafrechterlijke handhaving, de handhaving van de openbare orde en de politie dient hulp te verlenen in geval van een crisissituatie. In de Politiewet 1993 is de politietaak als volgt omschreven: de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die dat behoeven (artikel 2). Aan de hand van de gezagsverdeling wordt de politietaak onderscheiden in handhaving van de openbare orde en hulpverlening enerzijds en strafrechtelijke handhaving en het verrichten van taken ten dienste van justitie anderzijds (Fijnaut, Muller, Rosenthal,1999). De politieorganisatie is de meest zichtbare organisatie binnen het justitieapparaat en krijgt daardoor gemakkelijk de schuld van gestegen criminaliteitscijfers of onopgeloste zaken (Chermak en Weiss, 2005).
De politieorganisatie functioneert onder het toeziende oog van zowel burgemeesters in de functie van korpsbeheerder, als het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als officieren van justitie en het ministerie van Justitie. Deze verschillende overheden hebben belangen en verantwoordelijkheden en vormen daarom behalve een interessante nieuwsbron voor journalisten ook een gekleurde (want belanghebbende) bron.
Legitimiteit
De relatie tussen burgers en politie is geen eenrichtingverkeer en vergt inspanningen van beide partijen. Zo ontleent de politie gezag en legitimiteit aan de samenleving. Het is dan ook van belang dat de politie gezag uitstraalt en dat de burgers dat gezag accepteren. Verder zien burgers de politie als een probleemoplosser, ze vragen om politiediensten. Om effectief aan de vraag van burgers te kunnen voldoen is de politie afhankelijk van informatie uit diezelfde samenleving. Door actief op zoek te gaan naar informatie, houdt de politie contact met burgers.
De steun van de bevolking aan de politie is niet vanzelfsprekend. Als de politie snel en effectief optreedt bij problemen en in de hulpverlening wordt krediet opgebouwd voor de minder populaire momenten waarop de politie hard moet ingrijpen. Maar burgers zijn veeleisend en bekritiseren de politie en de overheid als niet wordt voldaan aan de verwachtingen van professionaliteit, snelheid en effectiviteit (Fijnaut, Muller, Rosenthal,1999).
Hieruit wordt duidelijk hoe belangrijk het voor de politie is om een goed imago te creëren en in stand te houden. Het is dus niet opmerkelijk dat de politie niet zit te wachten op negatieve berichtgeving in de media, want dat zou haar positie in de samenleving kunnen verzwakken.
Berichtgeving over politie
De houding die het publiek heeft ten aanzien van politie en justitie en de kennis over criminaliteit grotendeels afkomstig van berichtgeving in de media. Het gaat hierbij om de media in brede zin, dus naast televisie-en radiojournaals, actualiteitenprogramma’s en kranten, spelen ook ‘reality’-programma’s (denk aan Blik op de weg) en politieseries een rol.
De politie wordt zowel negatief als positief in de media weergegeven. Het negatieve overheerst bij de gedrukte pers en omroepen, die de politie vooral karakteriseren als ineffectief en incompetent. De politie komt een stuk positiever naar voren in reality-programma’s of in dramaseries. Hierin wordt de politie neergezet als helden die het kwaad bestrijden en worden zaken opgelost en criminelen gearresteerd. Overigens kan de politie ook nadelen ondervinden van dit soort programma’s omdat ze lang niet altijd kunnen voldoen aan het beeld van sterk gespierde en competente crime-fighters uit de series. Dat kan teleurstellingen veroorzaken bij het publiek.
De media bieden verder weinig informatie aan burgers om de werking van de politie op waarde te kunnen schatten. Daarnaast ligt de nadruk vooral op negatieve voorvallen en blijven positieve voorvallen evenals het succesvol voorkomen van criminaliteit onderbelicht (Dowler en Zawilski, 2007).
De media beïnvloeden de perceptie van burgers op de politieorganisatie niet volledig. De politie kan er zelf ook invloed op uitoefenen door met goede voorlichting een positief beeld te schetsen. Het kan de organisatie ten goede komen als de politie zichzelf neerzet als pro-actief, omdat dan het imago van effectieve en efficiënte criminaliteitsbestrijders ontstaat.
De media en de politie hebben elkaar nodig. Praktisch gezien moeten er veel nieuwsrubrieken worden gevuld op een dag en verslaggevers kunnen bij de politie veelal terecht voor snelle en betrouwbare nieuwtjes, dus de politie is een tamelijk gemakkelijke nieuwsbron. De politie kan daar op inhaken door aan de vraag van journalisten te voldoen, waarmee tegelijkertijd de mogelijkheid wordt gebruikt om via de massamedia aan het imago te werken.
Strategisch communiceren
Om de legitimiteit van de organisatie te behouden probeert de politie de informatiestromen te beheersen. Voorlichters kunnen in hoge mate aansturen welke informatie wel of niet bekend wordt gemaakt en welke vragen van de media er vervolgens uit kunnen voortvloeien. Het ‘manipuleren’ van de publieke opinie en die van andere belangrijke actoren in het werkveld van de politie kan gebeuren door bepaalde informatie te verspreiden en andere informatie achter te houden. Deze strategische manier van communiceren levert een soort symbolische legitimiteit op, maar zorgt er wel voor dat de organisatie kan blijven bestaan (Chermak en Weiss, 2005).
De politie heeft politievoorlichters belast met de taak om de organisatie zo positief mogelijk in de media te brengen. Voorlichters moeten de media tevreden houden en ze kunnen dat doen door journalisten snel te voorzien van opgevraagde informatie en cijfers. Naast het manipuleren van de informatiestroom, houdt effectief communiceren ook in dat de voorlichters zich pro-actief opstellen tijdens schandalen. Daarnaast kunnen ze proberen om het publiek en de politiek te winnen voor strategische activiteiten. Dan treedt de politie bewust naar buiten op een zelf gekozen moment. Dat gaat dus buiten de ‘genuine events’ (spontane, onvoorziene gebeurtenissen die ook zonder aanwezigheid van de media zouden plaatsvinden) om. Tijdens zo’n zelf aangestuurde gebeurtenis, dat ook wel ‘pseudo-event’ wordt genoemd, kan kennis over de politieorganisatie op een positieve manier worden overgedragen (Vasterman, 2005).
Alert en assertief
Het voorlichtingsbeleid dat in Nederland door het Openbaar Ministerie (OM) en de politie wordt gevoerd staat beschreven in de ‘aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging’. Hierin is beschreven wie in concrete onderzoeken en strafzaken voor de persvoorlichting verantwoordelijk is en op welk moment welke informatie aan de media wordt verstrekt. Het uitgangspunt is dat de richtlijnen moeten zorgen voor een balans ‘tussen openbaarheid en transparantie enerzijds en de belangen van een eerlijke procesgang en privacy van de betrokkenen anderzijds’ (2006).
Voor de aanwijzing zijn enkele uitgangspunten geformuleerd, waaronder de volgende punten die voor dit artikel van belang zijn:
- Persvoorlichting draagt bij aan een groter vertrouwen van de burger in OM en politie. OM en politie hebben dan ook een gezamenlijk belang bij een goede persvoorlichting.
- Transparantie versterkt de maatschappelijke legitimiteit van OM en politie. Om en politie hanteren een assertief voorlichtingsbeleid. Met een alerte opstelling van OM en politie wordt ‘juiste berichtgeving op het juiste tijdstip’ gerealiseerd.
- Opsporing en vervolging zijn gericht op waarheidsvinding; daarbij hoort een open communicatie’. Spindoctoring past niet binnen dat communicatiebeleid (spindoctoring: het verdraaien van de werkelijkheid op een manier die voor jou het voordeligst is, m.a.w. spindoctoring is een bepaalde manier van duiding geven aan een bericht).
- (…) Het is in het gemeenschappelijke belang van OM, politie en advocatuur om escalatie in de berichtgeving te voorkomen.
- (…) Afhankelijk van de aard van een incident heeft de communicatie door de politie als belangrijk doel de gevoelens van onrust of onveiligheid te verminderen. Tevens biedt het de politie de gelegenheid het politieoptreden toe te lichten.
Wederom wordt duidelijk hoe belangrijk het vertrouwen van burgers in de politie voor de overheid is. Zonder vertrouwen is er geen legitieme basis voor de politieorganisatie. Behalve het feit dat burgers het recht hebben om goed en tijdig te worden geïnformeerd, vergroot transparantie volgens het College van procureurs-generaal het vertrouwen in de overheid.
Persvoorlichters zullen zich alert opstellen om ‘juiste berichtgeving op het juiste tijdstip’ te veroorzaken. Het OM en de politie houden hierbij rekening met communicatie-effecten zoals de impact van beelden op de waardering van feiten. ‘Aan de samenleving wordt een juiste en tijdige uitleg gegeven over de ontwikkeling rond onderzoeken en strafzaken om daardoor de beeldvorming bij de burger mede te helpen bepalen’ (2006). Dit actieve voorlichtingsbeleid vereist van voorlichters dat zij ontwikkelingen in de politiek en de maatschappij op de voet volgen evenals de berichtgeving rond lopende onderzoeken en strafzaken in de media om er eventueel op te kunnen reageren.
De beschrijving van ‘juist en tijdig’ in de optiek van de politieorganisatie kan botsen met wat journalisten juist en tijdig vinden. Hier wordt in de twee cases in dit artikel ingegaan. Maar de politie zal niet altijd actief naar buiten treden met informatie, bijvoorbeeld in het belang van een onderzoek. De media worden dan pas later geïnformeerd. De woordvoering voor lopende onderzoeken ligt bij het OM en in de aanwijzing is voorgeschreven dat het OM de media die zelf al met vragen komen, passief moeten worden voorgelicht. Dit is een houding die ook bij de politie waarneembaar is, zoals later in dit artikel duidelijk wordt.
‘OM en politie hanteren een actief voorlichtingsbeleid. De behoefte aan meer en snelle informatie over onderzoeken en strafzaken wordt versterkt door het toenemende aantal (nieuwe) media’, schrijft het College van procureurs-generaal in deze aanwijzing.
Daarnaast kan het subjectieve veiligheidsgevoel via communicatie worden vergroot, zodat het gevoel meer op de lijn van de objectieve veiligheidssituatie komt. Voor het lokale veiligheidsbeleid is communicatie dan ook van essentieel belang. Uit een voorbeeld dat in de aanwijzing wordt gegeven blijkt hoe de politie met bijvoorbeeld vandalisme in een winkelcentrum om moet gaan. Het is niet de bedoeling dat de politie alleen melding maakt van bekladdingen of vernielingen, maar ook over het vervolg: ‘de politie meldt aan de media dat er een onderzoek naar de vandalen loopt maar ook wat er op het terrein van openbare orde en veiligheid wordt gedaan, bijvoorbeeld dat het aantal surveillances in het winkelcentrum is opgevoerd’ (aanwijzing, 2006).
CASUS 1: Autobranden in Den Haag, oktober 2007
DEN HAAG - In de Haagse wijken Transvaalkwartier en Schilderswijk zijn dit weekend vier auto's in brand gestoken. De autobranden vonden plaats in een straal van enkele honderden meters. Zaterdagavond vatte een auto vlam in de Vermeerstraat. Gisteravond was het opnieuw raak in de Vermeerstraat. Daarna werden nog twee auto's op de Groenteweg en de Jacob Schorerlaan in brand gestoken. De politie heeft een onderzoek ingesteld, maar kon gisteravond niet zeggen of er een verband is.
Dit is het nieuwsbericht van 22 oktober 2007, dat bij Omroep West in het nieuwsbulletin op de radio is gelezen en op de website en teletekst is gepubliceerd. In aangepaste vorm is dit nieuws ook bij het TV West Nieuws uitgezonden.
In deze periode brandden er in Amsterdam-West al bijna twee weken ’s nachts auto’s uit. Dat is begonnen nadat een politieagente een Amsterdamse man had doodgeschoten toen zij en haar collega door hem waren gestoken met een mes. De rellen in Amsterdam zijn in de media en door de overheid weleens vergeleken met de rellen in de voorsteden van Parijs.
Verder is er een week voordat de Haagse autobranden plaatsvonden een confrontatie geweest tussen jongeren en de politie in de Schilderswijk, tijdens het multiculturele buurtfeest Kashba.
Deze twee voorvallen hebben mogelijk de beeldvorming en de afwegingen van zowel de pers als de politie beïnvloed. Voorvallen worden geïnterpreteerd, ze worden bewust en onbewust in een bepaalde context geplaatst. Dat veroorzaakt wellicht dat de aandacht er op wordt gevestigd. Hoe er daarna wordt gehandeld tijdens de afwikkeling van de voorvallen is gebaseerd op een rationele keuze van beide organisaties.
Het voorval
In het weekend van 20 en 21 oktober 2007 vinden er enkele autobranden plaats in de Schilderswijk en Transvaal in Den Haag. Op zondagavond wordt de redactie van Omroep West door een tipgever gebeld, die meldt dat er dit weekend enkele autobranden in de twee wijken zijn geweest.
De redactie volgt zelf ook op de voet naar welke plekken politie, brandweer en ambulances uitrukken. Dat gebeurt via het P2000 systeem waarop ongelukken en brandmeldingen en dergelijke worden gemeld. Dit systeem maakt ’s avonds rond 21:00uur voor de tweede keer melding van een autobrand. De twee branden zijn op loopafstand van elkaar. Rond 22:00uur komt de derde melding van een autobrand binnen, wederom in dezelfde buurt.
De radioverslaggever van die avond is er naar toe gegaan om zo zelf te kunnen oordelen wat er aan de hand is. Een agent ter plaatse vertelt hem dat het er op lijkt dat de autobranden iets met elkaar te maken hebben. ‘Uiteraard wilde hij dit niet voor de microfoon zeggen, voor woordvoering moest ik bij de persvoorlichter zijn’, aldus de verslaggever. Maar de dienstdoende persvoorlichter van de Politie Haaglanden wilde niets zeggen over deze autobranden en het mogelijke verband tussen ertussen. Niet op locatie en niet aan de telefoon de volgende ochtend. ‘De gevallen moesten eerst verder worden onderzocht en uiteraard was het resultaat nog niet dezelfde avond duidelijk.’
Omroep West is van plan om toch over de autobranden te berichten. Hierover is op deze zondagavond diverse keren contact geweest met de politie. De persvoorlichter van de politie vond het niet verstandig om op de radio verslag te doen van de branden. Uit de overdracht van de avondredacteur blijkt: ‘de voorlichter heeft in gesprek met mij nadrukkelijk (3x) gesteld dat als er naar aanleiding van de reportage bij West onrust in de wijk zou ontstaan, de politie West verantwoordelijk zou houden.’
Al is de omroep het niet eens met de politievoorlichter, toch heeft het dringende verzoek in eerste instantie wel effect op de manier waarop het draaiboek voor de volgende ochtend wordt ingevuld. Na overleg met de eindredacteur is besloten om het item terughoudend te maken, er zijn geen verwijzingen in opgenomen naar Amsterdamse toestanden (autobranden in de wijk Slotervaart) of onrust na afloop van de Kashba (relletjes tussen jongeren en politie tijdens een multicultureel buurtfeest in de Schilderswijk) de week ervoor. Het item is verder als tweede onderwerp na 7:00uur gepland, dus niet als opener oftewel het belangrijkste nieuws. En het item zou maar één keer worden uitgezonden. De politievoorlichter zou in de loop van de ochtend worden gebeld of er al iets meer over de branden bekend is. Volgens de verslaggever is de keuze om het nieuws te brengen na rijp beraad gemaakt, omdat ‘het vreemd zou zijn als we geen aandacht aan vier autobranden zouden besteden.’
Nieuws
De volgende ochtend vindt er echter door ‘verse’ collega’s een nieuwe afweging plaats. Er wordt besloten om het item prominent aandacht te geven en elk uur (tussen 6:00-9:00uur) uit te zenden. Deze beslissing blijkt te passen in de lijn die de hoofdredactie uitstippelt en later op de dag met de redactie communiceert: ‘nieuws is nieuws, zolang wij ons beperken tot de feiten, hoor- en wederhoor toepassen en alle andere gebruikelijke journalistieke principes hanteren (geen insinuaties etc.) is er geen enkele reden om dingen te verzwijgen, sterker nog, is het onze plicht om te berichten over wat er in onze regio gebeurt. Daar zijn we nou net voor. En vier autobranden in twee dagen in één en dezelfde wijk is best bijzonder.’
Journalisten van de omroep gaat verder op onderzoek uit in de wijken en een televisieverslaggever hoort dat een kleine groep jongeren de buurt treitert met het trappen van rotzooi, aanhoudend kleine brandjes sticht etc, maar dat niemand aangifte durft te doen. Volgens de hoofdredacteur is deze informatie door meerdere betrouwbare bronnen gemeld en is daarmee een vermeldenswaardig feit geworden. Het wordt op radio, televisie en internet dan ook gemeld. De reden om dat ‘groots’ te doen is omdat het gaat om groot, maatschappelijk relevant nieuws. Het is ook de bedoeling om er aandacht aan te blijven besteden omdat het de taak van de omroep is om uit te zoeken en vervolgens te melden wat daar in die wijk in de hand is. Alleen door de omroep geverifieerde feiten zullen worden gemeld en zolang de daders van de acties onbekend zijn, wordt niets gezegd over hun mogelijke identiteit of etniciteit. En zolang er geen hard bewijs is, wordt er geen link gelegd met Amsterdamse toestanden.
In de dagen daarop is er nog enkele keren een follow-up gemaakt over de autobranden en andere voorvallen in de twee Haagse wijken. Na het verslag over de autobranden volgden reacties uit de wijk en bleek dat mensen geen aangifte durven te doen. Iemand van de Buurtwinkel die voor de camera vertelt wat er aan de hand zou zijn in de wijk krijgt een steen door de ruit en ook van de reportagewagen van Omroep West worden de ruitjes ingetikt. Deze voorvallen vormen de basis voor een reportage op radio en tv en deze feiten worden genoemd bij de aankondiging van een discussieprogramma. Hierin wordt ook gemeld dat ‘veel mensen bang zijn, want wie praat met de politie zou weleens het volgende slachtoffer kunnen zijn’. Het onderwerp van discussie is vervolgens onder meer dat welzijnsorganisaties in de Haagse Schilderswijk zeggen te weinig geld te hebben om hun taken naar behoren te kunnen uitvoeren.
Het initiatief voor de berichtgeving over de autobranden ligt bij Omroep West. Politie Haaglanden wordt benaderd voor informatie en de stand van zaken over mogelijke daders, maar de journalisten gaan actief op zoek naar andere bronnen.
CASUS 2: Autobranden in Den Haag, jaarwisseling 2007-2008
DEN HAAG - Tijdens de jaarwisseling zijn in Den Haag twee keer zo veel auto's in vlammen opgegaan als vorig jaar. In de nieuwjaarsnacht waren er volgens de politie 109 autobranden, tegen 51 vorig jaar.
Met name in het centrum van de stad brandden veel auto's uit. Het aantal autobranden valt onder andere zo hoog uit omdat de brandweer niet in alle gevallen direct kon ingrijpen. Brandweermannen moesten wachten met blussen omdat zij werden bekogeld met stenen en zwaar vuurwerk. Er was eerst politiebescherming nodig, waardoor het vuur kon overslaan naar andere auto's in de buurt.
In de nacht zelf verrichtten politieagenten al zeven aanhoudingen, de betrokkenheid van deze verdachten wordt nog onderzocht. De politie zet nu alle mogelijke middelen in om meer verdachten op te sporen. In Haagse wijken worden flyers uitgedeeld om de daders te pakken te krijgen, camerabeelden worden bekeken en de politie organiseert zaterdag een buurtbijeenkomst.
Uit dit nieuwsbericht van 4 januari 2008 blijkt het enorme aantal autobranden tijdens oud en nieuw in Den Haag. Hoewel gedurende oudejaarsavond en oudejaarsnacht voor journalisten van Omroep West via P2000 al duidelijk werd dat er nogal wat autobranden aan de gang waren, volgt de uitgebreide berichtgeving hierover veel later. De politie wil in eerste instantie niets zeggen en voor de uitzending zullen er toch feiten op tafel moeten liggen.
Kritiek
De ontevredenheid onder journalisten over de manier waarop de politie gedurende oudejaarsnacht met Omroep West omgaat is groot. Vanaf middernacht geeft de politie geen enkele nieuwe informatie meer vrij. Aan het begin van de ochtend staat er verouderde informatie op teletekst en internet, die de redactie graag wil updaten. ‘Dat is niet onze zorg, wat jullie naar buiten toe communiceren’, aldus de dienstdoende politiewoordvoerder op 1 januari 2008. (Dit is volgens de eerder genoemde taakomschrijving in de aanwijzing over voorlichting overigens niet correct, omdat het hier gaat om openbare orde, onrust en branden.) Een heldere afspraak om in de radio-uitzending op 1 januari tussen 8:00 en 9:00uur een eerste reactie te geven op hoe de nacht is verlopen wordt niet nagekomen en de politie meent later dat de afspraak nooit zo is gemaakt. De redenen die de politie had om de informatievoorziening tijdelijk op te schorten worden verderop in dit artikel beschreven.
De politie komt pas na enkele dagen met de cijfers naar buiten. En het zijn niet alleen de cijfers die ze kan melden, maar ook de manier waarop actie is ondernomen om de daders op te pakken. Omroep West meldt zowel de cijfers als de aanpak van de politie als nieuwsfeiten in haar uitzendingen. De eerder genoemde ontevredenheid over de politievoorlichting ebt weg.
Het initiatief ligt dit keer veel meer bij de politie, ook al is er vanuit Omroep West meerdere malen en al gedurende oudejaarsavond naar het aantal autobranden gevraagd. Meerdere malen is over deze branden verslag gedaan, maar vergeleken met de branden in oktober op een andere manier. De omroep is na oud en nieuw volgzaam te noemen, terwijl in oktober een actievere houding is aangenomen. Over de precieze oorzaken hiervan valt in dit artikel geen uitsluitsel te geven. Wel mag worden aangenomen dat heeft meegespeeld dat brandjes tijdens een oudejaarsavond en –nacht minder opmerkelijk zijn dan gedurende een willekeurig weekend in oktober. Ook gezien de cijfers van vorig jaar komen de branden van afgelopen jaarwisseling niet uit de lucht vallen. De hoeveelheid is wel opmerkelijk. Daar is door Omroep West dan ook ruimschoots aandacht aan besteed, zij het later dan eigenlijk door journalisten werd gewenst. Het feit dat niet alleen in de Schilderswijk en Transvaal, maar ook in het centrum en buiten de stad auto’s in de brand zijn gegaan, zegt mogelijk iets over dat het gebied moeilijker te vatten is en dus ook mogelijke oorzaken en of het om dezelfde of meerdere daders gaat. Problematiek die in één wijk speelt zoals eerder beschreven (vandalisme door klein groepje en mensen die geen aangifte durven te doen) is in het geval van de jaarwisseling mogelijk niet aan de orde of niet eenvoudig boven tafel te krijgen. In dat geval is het logisch om de feiten die de politie kan aanleveren af te wachten.
POLITIE OVER AUTOBRANDEN
De politie Haaglanden gaf tijdens de jaarwisseling 2007-2008 vanaf middernacht geen informatie meer vrij. Daar had ze belang bij, want op dat moment werd het de politie al snel duidelijk dat het aantal autobranden de pan uit rees. In totaal zijn in de regio Haaglanden 128 auto’s uitgebrand, waarvan 109 in de stad Den Haag. Voor politiewoordvoerder Hoonhout was het al vrij snel op de avond duidelijk dat Den Haag koploper was in Nederland wat het aantal autobranden betrof. Het had voor Politie Haaglanden geen meerwaarde om dat actief te communiceren want het risico bestaat dat een kop als ‘Autobranden teisteren Den Haag’ in de media verschijnt.
Hoonhout vindt het logisch en terecht dat Omroep West grote interesse toont in het oplopende aantal autobranden op oudejaarsavond, maar vindt dat journalisten dan zelf maar moeten gaan kijken. Hij vond de journalisten van Omroep West een beetje lui. Het is voor hem niet duidelijk waarom de omroep in dit geval zo leunt op de politiewoordvoering en geen ander netwerk aanboort. Dat journalisten en politie af en toe geïrriteerd raken hoort er bij: ‘soms spuug je op elkaar, soms omhels je elkaar’.
De politie reageert in dit soort gevallen pas als er exacte aantallen kunnen worden genoemd en probeert tegelijkertijd de mogelijkheid voor profilering te creëren. Zo wordt aan de twee doelstellingen voldaan: de daders proberen op te pakken en positieve beeldvorming over het korps proberen te bereiken.
De politie wilde verder voorkomen dat er constant een (negatieve) update in de media zou komen van het aantal afgebrande auto’s, dus is gewacht totdat het totale aantal bekend was. Daarnaast had politie een actieplan om de daders te achterhalen dat ze kon presenteren: er was voor in totaal 11 duizend euro zendtijd in de regio Den Haag gekocht, waarvan 6,5 duizend euro bij Omroep West is uitgegeven. Daarnaast was er een buurtbijeenkomst georganiseerd, werd er geflyerd in verschillende talen, waren er verschillende banners op sites geplaatst en was er een sms-alert uitgestuurd. Volgens Hoonhout was de werkwijze van de politie succesvol want de koppen in de media luidden: ‘Politie start offensief tegen autobranden’.
Dat de politie de media gebruikt bij de opsporing van daders blijkt wel uit het actieplan waarbij ook Omroep West is ingeschakeld. De afdeling marketing & communicatie van de omroep verspreidde deze e-mail: ‘Graag breng ik jullie op de hoogte van landelijke aandacht voor Radio West vanavond. Dat gebeurt in een uitzending van 'Hart van Nederland' (SBS6) waar aandacht wordt besteed aan de politie Haaglanden die op Radio West adverteert om de daders van de autobranden in Den Haag te vinden.’
Politiewoordvoerder Hoonhout heeft (uiteraard) een andere kijk op de gang van zaken bij de autobranden in oktober dan de journalisten van Omroep West. Hij bevestigt dat de politie, door middel van het wijzen op de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de omroep, heeft geprobeerd om uitzending van de radioreportage te voorkomen. ‘En proberen kan altijd, ja toch?’. Volgens Hoonhout was er in oktober sprake van een mediahype. Hij verwijst naar de rellen in Amsterdam-West en de voorsteden van Parijs. De opmerking van zijn collega persvoorlichter dat de omroep verantwoordelijk zou worden gehouden in het geval er meer onrust zou ontstaan vindt hij echter wat te hard geformuleerd, omdat in zijn optiek de media hiervoor niet verantwoordelijk kunnen worden gesteld. Maar Hoonhout ziet duidelijk de versterkende rol die de media kunnen hebben. Het is volgens hem dan ook logisch dat de politie de media wijst op de maatschappelijke verantwoordelijkheid die de media hebben. Mediahypedeskundige Vasterman ziet overigens wel een verantwoordelijkheid van de media in het versterken, zelfs veroorzaken van onrust tijdens een mediahype.
Ook geeft de politie niet altijd alle beschikbare informatie aan journalisten. In die zin mag worden geconcludeerd dat de politie de nieuwsgaring tijdens de autobranden heeft belemmerd.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Na deze uiteenzetting over taken, doelstellingen en werkwijze van zowel de media als de politie en de kennis die is vergaard over het verloop rond de autobranden in Den Haag kan de vraag ‘Is de nieuwsgaring rond de autobranden in Den Haag door de politie belemmerd?’ met ‘ja’ worden beantwoord. De politie heeft in oktober en met de jaarwisseling wel degelijk geprobeerd invloed uit te oefenen op datgene dat Omroep West wilde uitzenden. Dat daarbij informatie (nog) niet wordt verstrekt, mag worden opgevat als een belemmering van de nieuwsgaring. Het is echter wel zo, dat Omroep West ook zichzelf heeft belemmerd, door zich te afhankelijk van de politie op te stellen.
Spreekbuis van de politie
Daarnaast kunnen er enkele conclusies worden getrokken. De belangrijkste is naar mijn mening dat Omroep West ervoor moet waken dat ze zich onafhankelijk en kritisch blijft opstellen. Het is de taak van de journalistiek om zo objectief mogelijk verslag te doen van feiten door middel van meerdere bronnen. De journalist is de waakhond van de democratie en de politie is een onderdeel van de overheid die moet worden gecontroleerd. Journalisten moeten de politie dus kritisch benaderen en onafhankelijk blijven.
Hierin is de omroep tijdens de autobranden in oktober geslaagd. Omroep West hanteert haar eigen professionele afweging voor het maken van keuzes wat wel en geen nieuws is. Hierover is op de redactie ook uitvoerig gediscussieerd, waardoor iedereen alert blijft. Er is gebruik gemaakt van meerdere bronnen en journalisten waren niet afhankelijk van de woordvoerders van de politie. Daarnaast kregen verschillende groepen de kans om hun verhaal te vertellen, is de kennis over een wijk en bewonersgroep in Den Haag toegenomen.
Na de jaarwisseling heeft de omroep zich naar mijn mening minder onafhankelijk opgesteld, geen gebruik gemaakt van een alternatief netwerk en deels onterecht de politie de zwarte piet toebedeeld. Zelf stond ik er ook zo in, maar achteraf moet ik bekennen dat de politie vanuit haar taakomschrijving bezien goed werk heeft afgeleverd. Journalisten kunnen met deze kennis op zak, hier voortaan mogelijk anders op inspelen. Dat geldt overigens niet alleen voor de omgang met de politie, maar zeker ook voor bijvoorbeeld het contact met gemeente-instellingen. Een voorstel vanuit de politie om elke zes weken te overleggen met de hoofdredactie raad ik af, omdat goede en heldere afspraken tussen de organisaties voldoende moeten zijn om met elkaar te kunnen werken. Bij verschil van inzicht moet er ruimte voor overleg zijn.
Context
Verder valt het op dat in oktober het verhaal redelijk snel uit de pers is verdwenen. Dat is enerzijds goed omdat de omroep niet zover gaat dat het verhaal compleet wordt uitgemolken. Als het nieuws ‘op’ is, gaan we over tot de orde van de dag. Anderzijds liggen er mogelijkheden om in de wijk meer onderzoek te doen. Er is verslag gedaan van problemen die hoogstwaarschijnlijk een diepliggende oorzaak hebben, maar dat komt verder niet meer aan de orde. Het zou wat mij betreft onder de journalistiek taak gevat kunnen worden om ook naar de diepere context van gebeurtenissen te kijken. Dit is ter overweging, want het is natuurlijk de vraag of daar geld en mankracht voor kunnen worden uitgetrokken en of dit soort ‘onderzoeksjournalistiek’ past binnen de doelstellingen die de omroep voor zichzelf heeft geformuleerd. Op de lange termijn zouden dit soort investeringen wel kunnen leiden tot een alternatief netwerk en tot een betere kennis over de wijk en de bewoners. Op dit moment zijn er bij mijn weten geen actieve pogingen om contacten in de buurt te leggen, om de situatie te kunnen doorgronden en bij toekomstige incidenten sneller en beter geïnformeerd te kunnen reageren. Dat vind ik een gemiste kans.
Verder bleek uit het overleg van hoofdredacteuren Radio en Televisie dat AT5 en RTV Noord-Holland eigenlijk nooit last hebben van ‘rotzooi’ (ingetikte ruitjes zoals Omroep West bijvoorbeeld). Hun advies is om nooit met bestikkerde auto’s de wijk in te rijden en vooral ook regelmatig over de wijk te berichten als er geen gedoe is. In het huidige radioformat staan contact en interactie met de luisteraar wel meer centraal dan voorheen. Er wordt echter niet specifiek op deze wijk ingezet.
Mediahype
Ook al was het verhaal redelijk snel uitgedoofd, het had kenmerken van een mediahype. Iets waar journalisten zich ook bewust van moeten zijn. In het geval van oktober is er sprake van een hele prille mediahype en eentje die eigenlijk in de kiem is gesmoord, omdat het onderwerp vrij snel weer uit het nieuws verdween. De aandacht vond ook niet media-breed plaats. Wel was er duidelijk sprake van een gebeurtenis die de aanleiding voor publicatie vormde en die ook zonder inmenging van de pers zou hebben plaatsgevonden. Daarna is er door journalisten actief op ingesprongen in de follow-up sfeer. Het versterkte wellicht de gebeurtenissen in de wijk.
Maar een kanttekening bij de theorie van Vasterman: leg daar de journalistieke taak en afwegingen naast en dan valt te concluderen dat de omroep terecht vond dat er sprake was van een nieuwsfeit en ook terecht in het verhaal is gedoken. Autobranden zo dichtbij elkaar in de buurt zijn niet aan de orde van de dag. Het nieuws is terughoudend en integer gebracht, afgezien van het feit dat teksten soms wat hard worden geformuleerd om het onderwerp goed neer te zetten en als het ware te verkopen aan het publiek.
In het geval van de jaarwisseling is er absoluut geen sprake van een mediahype. Het hoge aantal autobranden vond plaats zonder dat er media bij aanwezig waren, de politie heeft er niets over gemeld tegen Omroep West en in de dagen er na zijn er niet opnieuw auto’s in vlammen opgegaan.
Kortom, de tegengestelde belangen tussen media en politie zijn een gegeven waarmee moet worden gewerkt. Dat gaat vaak goed, soms wat minder, maar naar aanleiding van dit artikel kan er verder over worden nagedacht en kunnen beide partijen er hun voordeel mee doen.
LITERATUUR
Castells, M., (2004) The Power of Identity, Malden: Blackwell Publishing
Chermak, S., Weiss, A., (2005) Maitaining legitimace using external communication strategies: An analysis of police-media relations, in: Journal of Criminal Justice, 33, p.501-512
Chomsky, N., (2002) Media Control, The Spectacular Achievements of Propaganda, New York: Seven Stories Press, second edition
Dowler, K, Zawilski, V., (2007) Public perceptions of police misconduct and discrimination: Examining the impact of media consumption, in: Journal of Criminal Justice, 35, p.193-203
Fijnaut, C.J.C.F., Muller, E.R., Rosenthal, U., (1999) Politie, Studies over haar werking en organisatie, Alphen aan den Rijn: Samsom
Kussendrager, N., Lugt, D. van der, Rogmans, B., (1992) Basisboek journalistiek, Groningen: Wolters-Noordhoff
Kranenburg, M., Vasterman, P., (2001) Cahier 23, Media, Rampen en Risico’s, Utrecht: Faculteit Communicatie en Journalistiek, Hogeschool van Utrecht
Vasterman, P., (2005) Mediahype, Amsterdam: Uitgeverij Aksant
Vasterman, P., Aerden, O., (1995) De context van het nieuws, Groningen: Wolters-Noordhoff
Witte, E., (2002) Media & Politiek, Brussel: VUBPRESS
Bronnen Omroep West:
E-mail hoofdredacteur aan eindredacteurenoverleg (3 november 2007)
E-mail hoofdredacteur aan redactie (22 oktober 2007)
Diverse nieuwsberichten en teksten bij reportages
Overdracht avondredacteur (21 oktober 2007)
Ervaring verslaggever Rob Vlastuin
Besluitenlijst van de vergadering Hoofdredacteuren Radio en Televisie, gehouden op
1 november 2007 te Rotterdam.
Bronnen Politie Haaglanden:
Gesprek met politiewoordvoerder Wim Hoonhout van de Politie Haaglanden (25 januari 2008)
Aanwijzing voorlichting, opsporing en vervolging, afkomstig van het College van procureurs-generaal. De aanwijzing is vastgesteld op 11-12-2006 en de inwerkingtreding is per 01-01-2007.
Overig: