Dossiers


Geen aparte gedragscode voor internet-journalistiek

door Jan van Groesen
Lees verderverder

Threats to ethical journalism in the New Media age

door Prof. dr. Edward Wasserman
Lees verderverder

De rol van een journalist in de democratie

Door Prof. Mr. Egbert Dommering
Lees verderverder

De ombudsman als passend kwaliteitsinstrument van de media

door Jan van Groesen
Lees verderverder

De nieuwsombudsman, waakhond of schaamlap?

door Huub Evers
Lees verderverder

De journalistiek moet veel verantwoordelijker omgaan met haar machtspositie

door Jan van Groesen
Lees verderverder

MEDIA - OMBUDSMAN NEDERLAND
Mission Statement

De snelle opkomst en de duurzaamheid van nieuwe media heeft de mediasector in korte tijd een ander aanzien gegeven. Het heeft de complexiteit van het mediaveld aanzienlijk vergroot waardoor traditionele afspraken en regels goeddeels hun werking hebben verloren.
Vooral de werking van internet, de wereldwijde verspreiding van de mobiele telefoon met zijn vele mogelijkheden, de komst van de E-krant, de introductie van websites, weblogs en podcasts illustreren een revolutionaire ontwikkeling die de verspreiding van nieuws op fundamentele wijze verandert en die een geheel andere aanpak te zien geeft van de journalistiek. De CGM’s (Consumer generated Media) winnen terrein en Civic Journalism – Burgerjournalistiek is reeds een gevestigd begrip geworden. Dat Televison on Demand, zoals het nu toepassing vindt, in de toekomst zal worden gevolgd door News on Demand is niet ondenkbaar.


Wat de maatschappelijke gevolgen van deze ontwikkeling zijn , zowel voor de nieuwsproducent als voor de nieuwsconsument, is nauwelijks aan te geven. De beginnende discussie hierover lijkt zich vooral te richten op de economische en juridische consequenties van deze ontwikkeling en de rol van de overheid in het dienen van het publieke belang. Een alomvattende analyse van de ontwikkeling is nauwelijks voorhanden. En de belangrijke vraag hoe de nieuwsmedia evolueren in hun maatschappelijke rol als bewaker van het democratische gehalte van de samenleving, dreigt op de achtergrond te geraken.


De traditionele nieuwsmedia als kranten en tijdschriften staan ernstig onder druk en moeten toezien dat een deel van hun maatschappelijke functie door andere media wordt overgenomen. Ogenschijnlijk wordt de zo noodzakelijke pluriformiteit van de nieuwsmedia door de komst van veel nieuwe spelers niet fundamenteel aangetast. Maar de grote terugloop van het aantal Nederlandse dagbladen in de afgelopen decennia (van 55 naar 27), en de nog te verwachten verdwijning van belangrijke regionale kranten, zal tot een ernstige verschraling in het nieuwsaanbod leiden en tot een deficit in de lokale democratie.
Bovendien heeft de toegenomen concurrentie en de daaraan gerelateerde commercialisering van de gedrukte en de audiovisuele media een sluipende transformatie van de journalistieke professie veroorzaakt die nog niet is uitgekristalliseerd. De rol van de gevestigde krantenlezer en tv-kijker is veranderd in die van een nieuwsconsument die vooral moet worden behaagd met verstrooiing en entertainment. Deze ontwikkeling gaat ten koste van het serieuze nieuws en heeft als zodanig nadelige effecten voor de inhoudelijke pluriformiteit van de nieuwsmedia.


Gezien de rol die de Nederlandse overheid speelt op het terrein van publieke informatie, is het duidelijk dat zij zich op deze ontwikkeling bezint, al is de ruimte voor die overheid steeds meer beperkt door Europese regelgeving. Eind 2004 verscheen een omvangrijke studie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) die een analyse van het mediaveld bevat. Een belangrijk element van deze studie is dat de WRR pleit voor een grotere verantwoording door de journalistieke sector zelf. Eerder al verschenen rapporten van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) en de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) waarin zelfs wordt geanticipeerd op het opzetten van een eigen regeringsorgaan om het publiek van feitelijke overheidsinformatie te voorzien omdat de nieuwsmedia deze functie niet meer adequaat zouden vervullen. De vraag wordt urgent of hier sprake is van teveel overheidsbemoeienis die schade berokkent aan de rol die de nieuwsmedia in een democratische samenleving dienen te spelen. In de traditie van de journalistieke professie ligt besloten dat onafhankelijke media de samenleving waarheidsgetrouw en open informeren, met de noodzakelijke duiding, zodat de burger de vrijheid krijgt voor eigen meningsvorming en maatschappelijke participatie.


Op mondiaal niveau is er inzake de digitale ontwikkeling van het mediaveld nog te weinig geregeld dat houvast kan bieden voor enige vorm van regulering. De Verenigde Naties besteden in UNESCO-verband veel aandacht aan de rol van het internet, waarbij de interesse zich richt op het scheppen van toezicht. De Europese regelgeving is vooral bedoeld om grote machtsconcentraties in de mediawereld te voorkomen.


Een nieuwe visie op het mediaveld is daarom noodzakelijk. Door de snelle ontwikkelingen is de verantwoordelijkheidsverdeling veranderd en verplaatst. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) wijst erop dat de gebruikelijke fora voor het afleggen van verantwoordelijkheid soms een lege huls zijn geworden en dat verantwoordingsprocedures niet langer hun disciplinerende werking vervullen. Daarnaast is de toenemende internationalisering (Internet) van invloed op vragen naar verantwoordelijksheidsverdeling. Deze vragen dienen zich ook aan nu mediabedrijven steeds meer op een Europese schaal opereren.


In deze turbulente ontwikkeling wordt de journalistieke beroepsgroep steeds vaker aangesproken op haar verantwoordelijkheid. Vragen worden gesteld over professionele codes, over zelfreflectie inzake de eigen tekortkomingen, over transparantie, zelfregulering en het afleggen van rekenschap. Traditionele spelers als de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ), de Raad voor de Journalistiek en het Commissariaat voor de media zullen een rol moeten spelen bij de beantwoording van deze vragen.
De NVJ heeft getracht te reageren met de inrichting van een Mediadebatbureau dat overigens zijn positie nog moet vinden en dat zich richt op de relaties tussen media, publiek en politiek. De Raad voor de Journalistiek houdt zich bezig met klachten van burgers die zich door de media geschaad voelen. Er wordt wel gediscussieerd over versterking van de Raad maar hoe deze gestalte moet krijgen is nog niet duidelijk. De Raad kan uitspraken doen maar geen sancties opleggen en is zelf ook geen voorstander van sancties. Daarnaast heeft het Persinstituut van de Universiteit van Amsterdam een Nieuwsmonitor opgericht die het proces van nieuwsvorming transparant wil gaan maken, maar waarvan de deelresultaten tot nu toe slechts incidentele werking hebben en niet de noodzakelijke structurele.


De aangehaalde activiteiten blijven nog ver verwijderd van een fundamentele aanpak van de vraagstukken die de revolutionaire ontwikkeling van het mediaveld oproept. De journalistiek in Nederland is een open vak waarin weinig gereguleerd en gereglementeerd is, juist om de onafhankelijke positie van de journalist te benadrukken. De journalistieke standaarden zijn veelal informeel en een formele beroepscode is er niet.
Aangezien de roep vanuit de samenleving aan de journalistiek over verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid steeds nadrukkelijker klinkt, dient de journalistiek zichzelf een aantal structurele vragen te stellen over haar maatschappelijke rol in de toekomst:
-moeten de standaarden van journalistieke ethiek en deontologie worden versterkt en aangepast aan de nieuwe inrichting van het mediaveld ?,

- dient de toetsing van deze standaarden te worden geuniformeerd en op landelijk niveau te worden uitgevoerd?,

-moeten er standaarden worden geformuleerd voor journalistieke producties op internet en, zo ja, hoe moeten deze worden ingericht en toegepast?,

-hebben de in zwang zijnde gedragscodes van Bordeaux (1954) en de Genootschapscode van 1995 nog voldoende werking of dienen deze te worden aangepast?

- dienen de huidige codes te worden uitgebreid met een formele beroepscode voor de individuele journalist, of wordt daarmee de persvrijheid wezenlijk aangetast ?,

-moet de Raad voor de Journalistiek een sanctiebevoegdheid krijgen nu het aansprakelijkheidsmodel steeds vaker wordt ingeroepen ?,

-dienen de educatieve parameters van de journalistieke professie te worden aangepast, of zijn de journalistieke opleidingen al voldoende op het nieuwe mediaveld ingespeeld ?,

-is Nederlandse en/of Europese regelgeving gewenst of ongewenst om nieuws en actualiteit via het internet en andere digitale instrumenten te kunnen reguleren ? Anders dan bij omroepen en de pers kan bij internet vaak de herkomst van de informatie niet worden getraceerd, waardoor bestaande regels hier bezwaarlijk kunnen worden toegepast,

- is het voor de journalistiek noodzakelijk het snel en verder teruglopen van het aantal geschreven media in Nederland tegen te gaan ? Met een nog kleiner aantal dagbladen dreigt de inhoudelijke pluriformiteit van de pers immers in het gedrang te komen, evenals de rol die zij in een open democratie dient te spelen.

- als het brengen van nieuws, het geven van opinie en achtergrond wordt vervangen door entertainment, hoe kan dan worden voorkomen dat er schade wordt toegebracht aan het democratische gehalte van de samenleving ?

-is de notie van het vrije woord nog voldoende aanwezig in de Nederlandse samenleving?


Voor het instandhouden van een onafhankelijke en hoogwaardige nieuwsvoorziening is het daarom dringend noodzakelijk dat deze en andere principiële vraagstukken binnen de Nederlandse journalistiek op een professionele en structurele wijze worden besproken en beantwoord. De activiteiten van de NVJ , van de UvA en van andere organisaties geven daartoe al een aanzet, maar de structuur en de samenhang daarvan ontbreekt. Digitaal zijn er eveneens pogingen tot enige regulering zoals de site www.mediaforum.nl en de website van De Nieuwe Reporter, maar deze illustreren slechts de bestaande versnippering.
Om de gewenste zelfregulering te verwezenlijken is een nieuwe organisatie nodig die op nationaal niveau de structurele vraagstukken van journalistieke ethiek gaat onderzoeken, bespreken en bewaken. Teneinde de onafhankelijkheid van die organisatie te waarborgen , dient deze een journalistiek stempel te dragen. Een dergelijke organisatie is tevens een instrument voor een betere, professionele journalistieke verantwoording van de sector, waardoor deze primair een zaak blijft van de beroepsgroep zelf.


Daartoe is recentelijk opgericht de Stichting Media-ombudsman Nederland (MON). De stichting is een non-profit organisatie die zich kenmerkt door onafhankelijkheid en onpartijdigheid.
Een van de belangrijkste doelstellingen van de Stichting MON is via onderzoek (in samenwerking met de wetenschap) vast te stellen op welke manier de toenemende roep om zelfregulering door de Nederlandse journalistiek kan worden beantwoord. Het gaat daarbij om het WAT (het identificeren en analyseren van problemen in de kwaliteit en onafhankelijkheid van de journalistiek, het bespreken van de mogelijkheden die de journalistiek heeft, en het (her)formuleren van ethische richtsnoeren op basis van normen en standaarden), en het HOE (op welke manier kan zelfregulering gestimuleerd en geёffectueerd worden).
Bij deze structurele aanpak van journalistiek-ethische kwesties wil de Stichting MON het journalistieke onderwijsveld betrekken (zowel de academische als de HBO-opleidingen) om de jongere generaties journalisten te interesseren voor en bewust te maken van het belang van ethische vraagstukken voor de serieuze journalistiek. De stichting streeft ernaar haar activiteit niet alleen in Nederland uit te voeren, maar ook breder in het Nederlandse taalgebied.


Daarnaast rekent de Stichting MON het tot haar taak journalistieke producties van alle nieuwsmedia, gedrukt, audiovisueel danwel electronisch, te toetsen aan de vigerende en/of nieuwe standaarden van ethiek en deontologie. De media-ombudsman formuleert een zelfstandig en onpartijdig oordeel dat op regelmatige tijden in gedrukte vorm en via internet wordt verspreid.
(NB. De media-ombudsman Nederland doet slechts uitspraken over structurele zaken de journalistieke ethiek betreffende. Specifieke klachten van burgers over incidentele journalistieke producties die binnenkomen, zullen worden doorgeleid naar de Raad voor de Journalistiek).
Met zijn activiteit draagt de Media-ombudsman bij aan het versterken en waarborgen van de persvrijheid en het beschermen van de vrijheid van meningsuitingstichting, vooral in tijden van crisis. Weliswaar zijn in Nederland bij een aantal nieuwsmedia ombudsmannen en lezersredacteuren actief, maar deze beperken zich tot het journalistieke product van het eigen medium en bovendien is hun functie door het verdwijnen van steeds meer kranten aan erosie onderhevig.


Om met gezag te kunnen spreken en voldoende draagvlak voor zijn activiteit te scheppen, zal de Media-ombudsman een werkverband aangaan met alle relevante actoren op het terrein van media-ethiek in Nederland en Vlaanderen. Tot het bestuur van de Stichting behoren uitsluitend professionele journalisten, o.w. Jan van Groesen (voorzitter), Kees Haak (vice-voorzitter), Willem Breedveld (commentator van Trouw), Redmar Kooistra (radio-, tv- en krantenjournalist), Hans Goslinga (parlementair verslaggever Trouw) en Mia Doornaert (buitenlandcommentator van De Standaard in Vlaanderen).
Tot de medewerkers van de stichting, verenigd in het Curatorium, behoren o.a. prof. Hans Renders van de journalistieke opleiding van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG), dr. Huub Evers, hoofddocent Media-ethiek van Fontys Hogeschool Journalistiek in Tilburg, dr. Dolf van Harinxma thoe Slooten, verbonden aan de faculteit Rechtsgeleerdheid van de UvT, prof. dr. Jan Renkema (van De Schrijfwijzer) en dr. Richard van der Wurff, van de Amsterdam School of Communications Research (UvA). Het Curatorium wordt voorgezeten door president-curator Hans Dijkstal.
Teneinde overlapping te voorkomen en de coherentie te bevorderen heeft de Media-ombudsman reeds besprekingen gevoerd met de NVJ, met het Commissariaat voor de Media en met de Raden voor de Journalistiek in Nederland en Vlaanderen over samenwerking in de toekomst.
De Media-ombudsman Nederland is als lid aangesloten bij de in de VS gevestigde Organisation of News Ombudsmen (ONO), een organisatie die contact houdt met ombudsmannen in de gehele wereld en jaarlijkse conferenties belegt om ervaringen en nieuwe ontwikkelingen uit te wisselen en elkaar bijstand te verlenen. Informatie zal worden uitgewisseld met andere buitenlandse organisaties en personen die zich met journalistieke ethiek bezighouden, zoals het Poynter Institute in de VS , het PEJ (Project for Excellence in Journalism) in Washington, het European Journalism Observatory (universiteit) in Lugano en de Zweedse nationale persombudsman. Verder zijn afspraken gemaakt met de belangrijkste media-ethicus van Groot-Brittanniё, prof. Dr. Chris Frost van de universiteit van Liverpool.


De Media-ombudsman laat zich in zijn functie en taakopvatting leiden door een gedetailleerde gedragscode voor journalisten die in de Statuten van de ombudsman worden opgenomen. Deze gedragscode zal op de website van de Media-ombudsman worden weergegeven, zodat het referentiekader van de ombudsman voor eenieder toegankelijk en inzichtelijk is.


Jan van Groesen
Voorzitter St. Media-ombudsman Nederland